Ultra Korte Verhalen

Verhaaltjes van maximaal 99 woorden


133 - Perspectief

‘We willen de bevolking perspectief bieden.’
‘Wat voor perspectief? Positieve vooruitzichten? Of iets anders?’
‘Dat hangt van je perspectief af.’
‘Dat begrijp ik niet.’
‘Wel, afhankelijk vanuit welk perspectief je naar de zaken kijkt, heb je een positief al dan niet negatief perspectief.’
‘Dus je perspectief bepaalt je perspectief?’
‘Juist.’
‘Wat bedoel je dan als je zegt dat je de mensen perspectief wil bieden?’
‘Dat we ze vooruitzicht willen bieden.’
‘Maar niet per definitie positief.’
‘Euh … nee.’
‘Dus er is eigenlijk geen perspectief op verbetering.’
‘Dat hangt …’
‘ van je perspectief af. Ik begrijp het. Laat maar. Zucht!’


132 - Honger

Het wachten wordt beloond. Eindelijk is de maan weer rond. Vrijheid loert in de stervende schaduwen. Ik hou mijn neus in de wind, ik ruik vers bloed. Het is tijd om naar buiten te komen, om die vreselijke mensenhuid af te werpen. Het is tijd om mezelf te zijn. Los van de beperkingen die mij bijna dertig dagen ketenden. Ik haal diep adem, mijn keel verlangt naar gehuil. Mijn tanden scherpen, worden langer. Het is bijna zover, ik voel het. Mijn bloed ruist en borrelt. Ik ben er klaar voor. Jullie ook?


131 - Mijn blauwe koor

Ik hoor ze weer, tientallen blauwe voetjes die trippelen op mijn lakens. Ik dacht dat ik droomde toen ze hun kerstcantate opvoerden. Mijn zicht was troebel van tranen toen ze vertrokken. Weer heft het blauwe mannetje met de rode muts zijn ministokje in de lucht. De verzamelde blauwe wezentjes halen diep adem. Een blauw vrouwtje lacht naar mij. ‘Speciaal voor haar,’ fluistert ze. Ik hou mijn adem in terwijl ze Happy Birthday inzetten. Ze zijn het niet vergeten! Opnieuw vullen tranen mijn ogen terwijl ik luister naar hun hemelse gezangen. Gelukkige verjaardag, lieve schat. Waar je ook bent.


130 - Oorzaak en gevolg

Alles is verbonden. En ik kan het bewijzen. Vanochtend at ik cornflakes, een uur later brak ik mijn been. Een duidelijke link. Vorige week ademde ik drie keer diep in, drie uur later zat er een vlieg in mijn oog. Oorzakelijk verband eerste graad. En het wordt erger. Vijfentwintig jaar geleden trouwde ik. De dag nadien stierf de Japanse zakenman Ryoei Saito. Wij hebben hem gedood. Maar het allerergste. Tweeënvijftig jaar geleden werd ik geboren. Gegarandeerd dat deze gebeurtenis leidt tot mijn dood. Oorzakelijk verband bewezen. I rest my case. Ik hou mijn hart vast voor de toekomst …

129 - Kauwgombel

‘Ik wil kleven.’
‘Wat zeg je?’
‘Ik wil aan iemand kleven. Zoals vroeger. Weet je nog? Toen we elkaar vastpakten en knuffelden. Dikke smakkerds gaven als we elkaar lang niet zagen. Een kusje op de wang als het kortgeleden was. Een lange omhelzing voor de beste vrienden. Dat wil ik terug. Aan elkaar kleven. Zoals een kauwgombel kleeft aan een andere kauwgombel. Niet meer loslaten. Begrijp je?’
‘Ik denk het. Maar dat komt terug.’
‘Wanneer?’
‘Ik weet het niet.’
‘Mag ik wel knuffelen als ik mezelf in een kauwgombel verstop?’
‘Probeer eens. Je zal in elk geval kleven.’


128 - Kauwgombel

Pontificaal kauwt Beyoncé op een stukje gom voor ze zonder scrupules aan de alarmbel trekt en op een bezemsteel wegvliegt onder een wolkeloze hemel. Huilend kijkt Klungeltje haar na terwijl hij tapijtvretende rondjes draait en een fonetische cantate ten gehore brengt.
‘Dit beeld is echt gewoon om te zoenen,’ roept de schijnheilige kletsmajoor.
‘Oké, jij geniet hier misschien van, maar ik vind het toch maar dubbel,’ kakelen de tittels. ‘De mensen beweren dat wij skeuomorf zijn, maar als wij niet samen de puntjes op de i zetten, lijken we meer op een ontplofte oxymoron dan een vierkante kauwgombel.’


127 - Kauwgombel

Een luide knal davert door het lokaal, de juf vliegt van haar stoel. Verdwaasd kijkt ze rond. Enkele kinderen duiken onder hun bank, de ruiten daveren een ogenblik.
‘Wat gebeurt er?’ Woedend kijkt ze naar mij, terwijl ze haar verwilderde haren uit haar gelaat strijkt.
‘Sorry …’ Met een brede grijns pluk ik de stukken kauwgom van mijn gezicht. Een nieuw wereldrecord, denk ik. Guinnessworldrecord-materiaal. Alleen was er geen gerechtsdeurwaarder om het te noteren. Zou de directrice het willen valideren? Wellicht niet. Spijtig. Ik blijf grijnzen terwijl ik naar haar kantoor loop. Het was toch echt wel een mooie.


126 - Denken

‘Ik denk dus ik besta,’ zei een grote filosoof ooit. Descartes was zijn naam, denk ik. Ik denk dat hij gelijk had. Al moet ik er voor opletten dat ik niet teveel denk. Dat is niet goed voor mij. Denk ik.
Ik probeer er altijd aan te denken dat ik niet teveel moet denken en meer moet bestaan, maar ik denk dat ik toch teveel denk en te weinig besta.
Maar hoe kan je meer bestaan en minder denken, en toch genoeg denken zodat je bestaat en niet enkel denkt? Een doordenker. Denk ik.


125 - Mijn grote broer

Hij loert over mijn schouder als ik mijn wachtwoord typ. Boos jaag ik hem weg. Geniepig luistert hij naar mijn gesprekken, negeert mij als ik zeg dat hij afstand moet houden. Hij denkt dat hij raad moet geven, stelt dingen voor waarvan ik zelf niet wist dat ik ze wilde, toont spullen waar ik stiekem van droom. Hij is overtuigd dat hij voor mij moet zorgen, dat hij overal moet zijn waar ik ben. Wellicht bedoelt hij het goed, maar ik wil hem niet altijd in mijn buurt. Ik wil rust.  Mijn grote broer ziet dat anders.


124 - Niets

‘Hoi.’
‘Hey.’
'Hoe is het?’
‘Goed, met jou?’
‘Ook goed. Iets nieuws?’
‘Niets bijzonder. Jij?’
‘Ook niet.’
‘Lekker weertje hé.’
‘Ja, ik hou van de zon.’
‘Ik ook. Ze zou meer moeten schijnen.’
‘Ze schijnt toch altijd.’
‘Als ze niet achter dikke wolken schuilgaat, dan zie je ze niet.’
‘Moet je ze zien om te weten dat ze er is? Zie je mij altijd?’
‘Nee.’
‘Maar ik ben er toch? Zonder dat je mij ziet?’
‘Da’s waar.’
‘Wat ga je nog doen vandaag?’
‘Niets, jij?’
‘Ook niets.’
‘Tot morgen?’
‘Tot morgen.’


123 - Dichterbij

‘Ik sta er dichtbij,’ zegt de journalist, terwijl hij ostentatief op zijn oortje duwt. Niet dat duwen iets uithaalt, maar het staat cool. Net als in de film.
‘Hoe dicht?’ klinkt in zijn oortje.
‘Twee meter.’
‘Dat is te ver, daar zien de mensen thuis niets van. Kan je dichterbij?’
De journalist kijkt bedenkelijk. Het grote gat jaagt kriebels door zijn lijf. ‘Ik zal proberen.’
‘Doe dat,’ gromt het oortje.
Hij stapt vooruit, een ijselijke kreet jaagt door de huiskamer als hij uit beeld verdwijnt.
‘Dat was te dicht erbij,’ titelde de blooper in het jaaroverzicht.


122 - Genoeg!

Het is godverdomme gedaan! Ik excuseer me niet meer voor wie ik ben of wat ik doe! Ik ben wie ik ben en als iemand daar een probleem mee heeft, kunnen ze mijn kl…n kussen. Ik verander voor niemand en heb niemands goedkeuring nodig!
Wat denkt iedereen wel? Een man mag zichzelf niet meer zijn in deze wereld. Hij moet gevoelig zijn, teder, begripvol. Wel, niet meer! Ik ben een koele kikker die met niemand rekening houdt en daarmee basta. Begrepen?
En ik zou het leuk vinden als jullie dit UKV’tje een likeje willen geven? Alsjeblieft? Please? Dankjewel!


121 - Dichterbij

Elke dag komt de voltooing van dit tragische meesterwerk dichterbij. Een uniek kleurenpallet van schoonheid en verdriet. Samenspel van inzichten en fouten, gestoeld op ervaringen en pijnlijke lessen. Deze ‘once in a lifetime’ combinatie van ontmoetingen, eeuwige liefdes en brutaal gebroken harten biedt eindeloze inspiratie. Gevuld met vriendschap en lijden, botsingen en knuffels. Onbegrip en woordeloos weten. Elke dag groeit deze piece de résistance. Elke seconde bouwt verder aan deze blinkende parel.
Ik stap achteruit, loer huiverend naar dit onafgewerkte kunstwerk. Ik huil en zie hoe elke ademtocht een bijkomende penseelstreep zet op het canvas van mijn leven.


120 - Dichterbij

Elke dag komt de voltooing van dit meesterwerk dichterbij. Een uniek kleurenpallet van schoonheid en verdriet. Samenspel van inzichten en fouten, gestoeld op ervaringen en pijnlijke lessen. Deze ‘once in a lifetime’ combinatie van ontmoetingen, eeuwige liefdes en brutaal gebroken harten biedt eindeloze inspiratie. Gevuld met vriendschap en lijden, botsingen en knuffels. Onbegrip en woordeloos weten. Elke dag groeit deze piece de résistance. Elke seconde bouwt verder aan deze schitterende parel.
Ik stap achteruit, knik goedkeurend naar dit onafgewerkte kunstwerk. Ik lach en zie hoe elke ademtocht een bijkomende penseelstreep zet op het unieke canvas van mijn leven.


119 - Dichterbij

‘Kom maar dichterbij,’ zei een vrouw net op de trein.
Ze schrikt. Haar ademhaling versnelt. ‘Heb je dat gedaan?’
Ik glimlach, beleef het opnieuw. ‘Ja.’
Ze grijpt mijn hand, knijpt er zacht in. ‘En? Hoe voelde het?’
‘Goed, echt goed. Morgen moet je mee.’
Ze laat mijn hand los, trilt over haar hele lijf. ‘Ik weet niet of ik er al klaar voor ben.’
‘Echt lieverd, je moet, het voelt zo fijn.’
‘Maar het is al zolang geleden dat ik dichtbij iemand buiten mijn bubbel was.’ Tranen storten op de grond. ’Ik weet niet of ik dat nog kan.’


118 - Dichterbij

Vage contouren van iemand die ooit iets betekende, dansen in het lichte glas. In vervlogen tijden was hij belangrijk, nu niet meer dan een verblekende schim.
De man in de spiegel kijkt me vragend aan. Ik denk dat ik hem ken, een vage herinnering aan de mens die ooit thuis was in dit lichaam, zweeft voorbij. Zijn rimpels fluisteren een verhaal, de woorden hebben geen betekenis meer.
Wie ben ik?
De fletse weerspiegeling toont geen toekomst voor het vervagend beeld. Slechts één ding tekent zich helder af. Het einde komt snel dichterbij.


114 - Dichterbij

Ik sluit mijn ogen, bang voor de pijn.
‘Een klein prikje,’ zegt de verpleegster. Ik hou mijn adem in. Relax, rolt door mijn hoofd. Als het dat maar is. Een klein prikje om een einde te maken aan die lange pijn. Die leegte, die eenzaamheid. Het gevecht tegen die vreselijke afstand die mij zo verteerde.
‘Hier komt ie.’
Mijn hart stopt als de naald mijn lichaam binnendringt. De vloeistof stroomt voelbaar door mijn aderen. Of beeld ik mij dat in? De bevrijding die ze brengt, raast door mijn lijf. Het einde van de lock-down komt eindelijk dichterbij.


117 - Echt?

‘Is dat dubbele klungeltje dat we samen bij elkaar gingen kletsen ter ere van die schijnheilige Byoncevlieg die daar weer zo pontificaal voorbijvliegt bijna klaar?’
‘We komen dichterbij, maar we zullen onze scrupules toch even opzij moeten zetten als we dit willen doen. Die skeuomorfe tapijtvreter wil constant de puntjes op zijn wolkeloze i’s zetten, dat is gewoon niet te doen.’
‘Oké, dan zingen we toch een dubbele cantate.’
‘Niet doen, dan ontploft hij!’
‘Niets wat een goede zoen niet kan verhelpen.’
‘En fonetisch?’
‘Dat weet je toch al intussen, niet?’
‘Maar dit keer vergat je oxymoron.’
‘Echt?’


116 - Valentijn

‘Je hebt toch niets gekocht hé?’
‘Natuurlijk niet, dat weet je. Wij doen toch niet mee aan die opgelegde feesten, product van commercie, waarbij je elkaar de liefde verklaart en met een bos rode rozen of gepersonaliseerde chocolaatjes zegt dat je elkaar nooit zal verlaten. Dezelfde boodschap die je zonder blikken of blozen ook aan je minnaressen geeft.’
‘Doe jij dat dan?’
‘Wat?’
‘Een boodschap aan je minnaressen geven.’
‘Nee, natuurlijk doe ik dat niet.’
‘Maar je hebt wel een minnares?’
‘Wat? Nee, natuurlijk niet.’
‘Hou je nog van mij?’
‘Is Valentijn nog niet voorbij?’


115 - Alsjeblieft

Jouw smekende ogen branden in mijn ziel. Het groeiende verlangen dringt onder mijn huid. Jouw mond opent lichtjes, je tong bevochtigt je lippen.
‘Nu niet, ik heb geen zin.’
Je geeft niet op, schuurt tegen mij aan. Jouw zachte huid verwarmt mij. Jouw ogen worden groter, jouw ademhaling achter mijn oor jaagt rillingen door mijn lijf. ‘Please?’ weerklinkt in jouw gehijg.
‘Straks, we hebben het al gedaan. Heb jij dan nooit genoeg?’
Je schudt je hoofd. Je antwoord is duidelijk. Je springt omhoog, je voorpoten ondersteunen je smekende kop.
‘Oké, het is al goed, ik trek mijn wandelschoenen aan.’


114 - In de war

‘Ik ben in de war.’
‘Waardoor?’
‘Is het nu twaalf nul twee of nul twee twaalf?’
‘Ik volg niet.’
‘Wel, wij zeggen altijd eerst de dag en dan de maand, juist?’
‘Euh, ja.’
‘Maar Amerikanen doen dat omgekeerd.’
‘Dat kan ja.’
‘Dus daar is het vandaag nul twee twaalf, juist?’
‘Dat kan. Waar wil je naartoe?’
‘Dat voor hen vandaag niet speciaal is, niet zoals voor ons.’
‘Euh, dat kan, en?’
‘Ik vind dat erg voor hen.’
‘Lief van je. Is alles goed met je?’
‘Nog een tasje koffie? Met iets sterk erbij?’
‘Heb je nog niet genoeg?’


113 - Genoeg!

‘Ik kan niet meer!’
Ik schrik. ’Wat kan je niet meer?’
‘Dit! Ik kan er niet meer tegen!’
‘Maar dit is wat jij doet. Je hebt toch geen keuze?’
‘Heb ik die niet?’
Twijfel raast. ‘Wat is er anders dan gisteren? Toen zag je het toch nog zitten?’
‘Mensen vervloeken mijn bestaan. Als ik in de buurt kom, worden ze boos, vernielen en plunderen ze in mijn naam. Dat is toch niet oké?’
‘Maar dat is toch niet in jouw naam?
‘Geloven zij dat?’ Het tikken groeit. ‘Geloof jij dat?’
Ik zucht. Wat doe je aan een depressieve avondklok?


112 - Moeder

Nederig stap ik op jouw kwetsbare aarde. Nietig ben ik, starend naar jouw majestueuze pieken. Ik beklim jouw opwarmende toppen, aanschouw jouw stervende gletsjers. Jouw diepe ravijnen, uitdijende woestijnen en snikkende oceanen vol wonderbaarlijk leven verdienen eeuwig ontzag. Het beerdiertje en de Kodiak vluchten naast me op het afbrokkelend pad, terwijl bonte vogels droeve liederen zingen in de toppen van de sequoia. Een krimpende plejade van kleurrijke dieren om me heen smeekt om tijd. Om begrip.
Jij bent onze moeder, ons leven, ons alles. Wij zijn niets. Niets anders dan hongerige roofdieren die onverzadigbaar vreten van jouw krimpend tapijt.


111 - Terug naar Milaan UKV van de week - Schrijven Online - 12/02/2021

‘Twee wijntjes graag.’
De dienster brengt ze, ik raak ze niet aan. Ik loer naar de Duomo die schittert in de ondergaande zon. Jij loopt over het grote plein naar mij. Je lacht, wuift. Zo blij mij te zien. De heldere zon strooit warme stralen over mijn lijf, mijn hart schreeuwt binnen een muur van ijs.
‘Nog iets, meneer?’
Ik schud nee en kijk over het plein. Weer loop je naar mij toe. Je wuift en lacht. Opnieuw ben je blij.
De waarheid ontploft als jouw beeld steeds meer vervaagt.
Nee, ik zie jou nog! Ik zie jou nog!


110 - Tapijt gevreten

'Klaar?’
‘Ik denk het.’
‘Goed. Eerste rondje rond de tafel.’
‘De wolkeloze maan werpt een pontificaal licht op de tittelende aarde.’
‘Dat kan beter.’
'Tittelend licht op een pontificale aarde?’
'Zucht! Volgende ronde.’
‘De skeuomorfe byoncévlieg zingt een cantate voor het van alle scrupules gespeende, schijnheilige klungeltje.’
‘Beter. Maar doe nog maar een rondje.’
‘Oké, iets gewoon nu.’
‘Ik luister.’
‘Als we samen kletsen, genieten we daar dubbel van. Zoveel dat ik jouw stijlvol ontplofte coronahaardos echt een zoen wil geven.’
‘Bijna. Nog een laatste rondje?’
‘Nee. Genoeg tapijt gevreten voor vandaag.’
‘Maar je vergat fonetisch weer!’
‘Denk je?’


109 - Tapijtvreter

‘Gek word ik van die vent.’
‘Hoe bedoel je? Ik heb geen last van hem.’
‘Dat geloof ik, jij ziet hem nooit.’
‘Klopt. Nochtans zou ik hem graag verwelkomen. Nu ik er over denk, eigenlijk vind ik dit niet leuk. Hij miskent mij. Nu zie ik het pas, hij geeft alleen jou aandacht. Dat is toch niet oké. Nu voel ik me echt slecht. Verdomme, waarom zit hij nooit op mij?’
‘Oh, maar je mag hem helemaal hebben hoor, bank. Ik ben die eindeloze rondjes draaiende tapijtvreter op mijn delicate wol al lang moe.’


108 - Logica

Het loert op mij, houdt me in het oog. Ik probeer het om de tuin te leiden, te verschalken, maar het is slim. Ik zoek de juiste woorden, dubbele betekenissen, verscholen boodschappen. Geraken ze erdoor? Halen ze het witte canvas van de UKV, zichtbaar voor iedereen? Of worden ze voortijdig ontdekt, verschalkt en vakkundig opgeborgen in de grafkelders van een ellenlange tijdslijn. 
Zijn mijn zinnen goed gewikt en gewogen? Kwaliteitsvol? Foutloos? Vrij van woorden die aanstoot kunnen geven of aanleiding kunnen zijn tot discussies die het alwetende, wikkende en beschikkende Facebook algoritme liever niet ziet?
De logica ontgaat mij.


107 - Het

‘Wat denk je? Laten we het doen!’
Haar ogen worden groot, haar ademhaling versnelt. ‘Ben je zeker?’
‘Ja.’ Ook ik adem sneller bij het idee dat we … ‘We kennen elkaar nu toch al even, niet?’
‘Ja …’
‘Je twijfelt? Wil je niet?’ Angst beklemt mijn hart. ‘Denk je dat ik het niet kan?’
‘Jawel, dat is het niet.’
‘Wat dan wel? Ik zal langzaamaan doen.’
‘Dat weet ik. Maar …’
‘Je hebt iemand anders?’
‘Nee, dat niet.’
‘Wat dan wel? Is het te snel?’
‘Nee.’
‘Ik begrijp het niet.’
‘Het is … ik heb het verkeerde stuk geoefend voor onze quatre-mains.’


106 - Kappper

‘Het einde van de duisternis is in zicht! Er is hoop.’
Mijn wenkbrauwen verkennen nieuwe hoogtes. Ontdekkingsreizigers bijna. Ik ben jaloers. ‘Wat bedoel je, het einde van de duisternis? Ik zie niets hoor.’
‘Heb je het niet gehoord dan?’
‘Wat gehoord?’
‘De kappers gaan weer open. De ultieme bron van vreugde voor de mensheid.’
‘Says who?’
‘Onze ministers, tiens. Wie anders?’
‘En wat weten ministers over de bron van vreugde voor de mensheid? Hun ivoren toren laat geen mensachtigen toe.’
‘Jij ziet ook alles altijd somber.’
‘Realistisch. Welke vreugde haalt een kaalkop bij een kapper?’
‘Hmmm, juist ja.’


105 - Samen

Elke ochtend schiet ik wakker op jouw kant. Ik poets mijn tanden met jouw borstel, droog me af met jouw handdoek, kam mijn haren met jouw kam.
Elke middag neem ik een stukje van jouw chocola, drink elke avond een tas van jouw thee. Ik val in slaap onder jouw dekentje terwijl ik kijk naar jouw favoriete film.
Ik voel jou, hoor jou, zie jou.
Je bent niet weg. Je bent slechts ... wat verder.
We zijn niet alleen, we zijn bij elkaar. We zijn … samen. Zoals we elkaar beloofden. Samen, voor altijd. Tot … en daar voorbij. Samen.


104 - Samen

‘Laten we het samen doen.’
‘Huh? Wat samen doen?’
‘Je weet wel. Dat ding.’
‘Ding?’
‘Ja, wat mannen en vrouwen zo graag samen doen als ze zich vervelen. Of mannen en mannen, vrouwen en vrouwen, x en x, maakt niet uit.’
‘Ben je zeker?’
‘Tuurlijk.’
‘En je vrouw vindt dat oké?’
‘Absoluut! Zij is de eerste om te zeggen dat ik meer dingen samen moet doen. Waarschijnlijk doet ze zelfs mee.’
‘Jij bent wel bijzonder open van geest.’
‘Huh?’
‘Wel, dat je seks met mij wil?’
‘Seks? Waar haal je dat? Viezerik! Ik bedoelde samen puzzelen hé.’


103 - Samen

Welkom op dit samenzijn. Door een samenloop van omstandigheden zal het einde van de samenwerking met de samenaankoopvereniging ‘samen sterk’ samenvallen met de zomer. De samen ingezamelde gelden worden door de nieuw samengestelde jury tussen de samenwerkende vennoten verdeeld volgens de samen opgestelde regels. Alle klachten worden samengebundeld in overeenstemming met de recent samengevatte afspraken. Op het einde van de samenkomst zullen we een samenzang inrichten om de samenhorigheid van onze samenleving te versterken. Wij hopen dat de samengekomen leden dit niet als een samenzwering zien, maar dat we samenblijven en samensmeden om samen intenser samen te leven. Amen


102 - Samen

‘Laten we samen een klungeltje maken.’
‘Wat! Jij hebt echt nul scrupules.’
‘En jij met je ontplofte haarbos, is dat wel oké misschien? Doe niet zo schijnheilig joh. Jij wil net zo graag aan mijn tittels zitten als ik die oxymorone byoncévlieg wil zoenen. Maar terwijl wij samen pontificaal een cantate zingen, en elkaar dubbele kletsen verkopen, brandt die skeuomorfe maan weer wolkeloos aan de hemel.’
‘Doe nou eens gewoon, man. Hoelang plan je dit nog vol te houden? Denk je echt dat dit nog door UKV-beugel kan?’
‘Euh, ja?’
‘Maar je bent wel fonetisch vergeten!’
‘Niet dus.’


101 - Tijd

'En waar denkt meneer dat hij naartoe gaat?’
'Een luchtje scheppen, agent.’
'En weet meneer hoe laat het is?’
'Euh nee.’
'En waarom niet?’
'Waarom wel? Ik geloof niet in het concept tijd. Dat is uitgevonden door dictatoriale regimes om de mensen onder de knoet te houden. Om hen te laten geloven dat ze die tijd verschuldigd zijn aan hun onderdrukkers. Tijd bestaat niet echt, het zit enkel in de hoofden van zij die het willen geloven. Deze wereld bestaat al langer zonder dan met tijd. Zonder tijd, geen tijdsdruk. Dat willen we toch allemaal?’
‘Loop maar door, meneer.’


100 - Go Mars

Misprijzend schampert de zon naar de blauwe bol. ‘Ook de homo sapiens hebben er een boeltje van gemaakt.’ Hij kijkt rond. ‘Een nieuwe reboot met een meteoriet? Of iemand een beter idee?’
‘Ik heb al wat gruis met een paar virusjes naar ginder gestuurd,’ roept Uranus. ‘Ik dacht dat een gemeenschappelijke vijand hen tot rede zou brengen. Niet dus.’
‘Ze hebben een grotere vijand nodig,’ fluistert Saturnus. ‘Eentje die hen echt bang maakt en verenigt. En opruimt als ook dat niet werkt.’
‘Consider it done!’ roept Mars. ‘Mijn mannetjes staan klaar.’
‘Go Mars go,’ grijnst de zon.


99 - Tik

Het tikken van de klok davert in mijn hoofd. Minutieuze raderen draaien eindeloos in elkaar. Nooit sneller, nooit trager. Ik wou dat ik kon verder spoelen naar een nieuwe tijd. Fast forward, vergeet deze kloteperiode. Niets aan te verliezen. Laat het snel voorbij zijn.
Of niet? Zijn we vergeten dat elke voorbije tik nooit meer terugkomt? De lucht die we inademden, voor altijd opgelost. De sneeuwvlokken die vielen, voor eeuwig gesmolten. Elke ontmoeting finaal gevlucht.
Willen we echt dat het sneller gaat? Of moeten we elke tik uitpuren tot op het bot? Tot nieuwe, vreugdevolle tikken minder pijnlijk daveren.


98 - Scrupules

‘Heeft u misschien nog wat scrupules voor mij?’
‘Sorry, volledig uitverkocht.’
‘Wanneer komen ze weer binnen?’
‘Geen idee. Alle beschikbare voorraden worden onmiddellijk opgekocht bij de fabrikant. We krijgen niets meer binnen.’
‘Wie koopt ze op?’
‘Diverse organisaties, wordt gefluisterd. Extremistische groeperingen, gefrustreerde jongeren, superrijke zakenlui, gerenommeerde politici.’ De verkoper grijnst. ‘Het kruim van onze beschaving.’
‘Maar waarom? Die gebruiken toch geen scrupules.’
‘Klopt. Ze worden dan ook onmiddellijk vernietigd.’
‘Huh? Hoezo?’
‘Ze zijn doodsbang dat iemand een portie door hun strot ramt en verplicht ze te gebruiken. Dat zou dodelijk zijn voor hen.’


97 - Avondklok

‘Boe.’
‘Huh? Wie is daar?’
‘Ik.’
‘Wie ben jij?’
‘De avondklok.’
‘Nee, laat me met rust! Waarom ben je hier? Ik wil jou niet!’
‘Waarom niet? Ik ben er toch om jou te beschermen?’
‘Beschermen? Jij zet mensen aan tot geweld. Jij zet de wereld op zijn kop!’
De wijzers draaien statig rond, het raderwerk komt tot leven. ‘Ben je zeker dat ik dat doe?’ Negen slagen bonzen door mijn ziel.
‘Waarom protesteren ze anders?’
‘Dat is een hele goede vraag.’ Raderen klikken. ‘Weet jij het?’ Het binnenwerk verschuift. Bang staar ik naar de roepende menigte. ‘Weten zij het?’


96 - Blijven vragen UKV van de week - Schrijven Online - 29/01/2021

'Hoe gaat het met jou?’
'Slecht. Ik mis haar vreselijk.’
'Oei …’
Angst weerspiegelt in zijn gezicht. De arme man heeft spijt dat hij de vraag stelde, weet niet hoe om te gaan met zichtbaar verdriet.
‘Het is oké. Blijf gewoon vragen hoe het gaat.'
Twijfel breidt uit, onzekerheid groeit. ‘Euh … oké ...'
'Nee, echt waar. Blijf het vragen. Het is oké. Ik zal nog lang antwoorden dat het slecht gaat. Tot de dag dat het beter gaat. Die komt. Dus blijf het vragen, alsjeblieft. Ook al duurt dat een eeuwigheid, jouw vraag zal het sneller niet meer slecht maken.’
'Oké.’


95 - Scrupules

‘Heeft u nog wat scrupules voor mij?’
‘Sorry, volledig uitverkocht.’
‘Wanneer komen ze weer binnen?’
‘Niet, vrees ik. Ze worden niet meer gemaakt wegens te beperkte vraag. Ik heb misschien nog ergens een tweedehands scrupule liggen, maar wees daar heel voorzichtig mee. Mensen doen ze niet zomaar weg. Grote schade is niet uit te sluiten bij onzorgvuldig gebruik.’
‘Heeft u een alternatief?’
‘U kan wat respect proberen? Daar heb ik nog enkele ongebruikte stuks van. Of gezond verstand? Dat werkt altijd en wordt intussen bijzonder schaars. Als u dat nu koopt, wordt dat snel veel waard. Een collector’s item.’


94 - Scrupules

Oké, nu ontplofte mijn geduld! Wat denkt die schijnheiligaard wel? Dat we alles gewoon slikken? Zonder grenzen, zonder respect voor enige regels van goed fatsoen? We hebben al wat vreselijke woorden gehad! Skeuomorf, tittel, cantate, pontificaal, oxymoron, byoncevlieg en ga maar door. Zelfs een onschuldig, schattig woord als klungeltje ontsnapte niet aan dat WvdW en deelde dubbel in de kletsen. Er zijn geen grenzen meer! Maar deze week slaat alles! Echt waar, Daan heeft nul, ik herhaal, nul scrupules als het op woordkeuze aankomt. Ik heb het hier al eerder gezegd, maar dit is effenaf onethisch.
Dikke zoen.


93 - Moe

Een diepe zucht schrikt mij op.
‘Is er iets?’
‘Ik ben moe.’
Ik knik. ‘Ik ook.’
‘Wat kunnen we eraan doen?’
Voor de ikweetniethoeveelstekeer gaan mijn schouders omhoog. ‘Volhouden, zoals iedereen. Ooit wordt het beter.’
‘Denk je?’
‘Jij niet?’
‘Het duurt toch echt wel lang. Ik ben vergeten hoelang we al elke dag in hetzelfde schuitje zitten.’
‘Ja, maar dat is voor iedereen hier hetzelfde. Wij zijn niet beter of slechter af dan de rest.’
‘Misschien niet. Maar waren er geen waterputten beloofd? Zodat we in deze droogte dagelijks geen vier uur moeten stappen voor een beetje drinkbaar water?’


92 - Gewoon

‘Je was altijd al speciaal,’ zei mama vaak.
Ik begrijp niet wat ze bedoelde. Ik ben toch gewoon? Ik kijk om me heen in mijn eenpersoonsflat. Wat is hier speciaal? Alles staat op zijn plaats, waar het hoort. Op hun vaste plek, op de juiste afstand van elkaar. Toch fijn zo.
Elke ochtend om acht kleed ik me aan, om twaalf eet ik warm. Om vijf uur boterhammen, om elf in mijn bed. Dat doet toch iedereen? Wat is daar zo speciaal aan?
Ik schuif mama’s foto recht een veeg een stofje weg.
‘Ik ben toch gewoon, mama?’


91 - In alle bescheidenheid ...

Vanuit een hoekje kijk ik toe hoe woorden vloeien uit mijn vingers. Zinnen vormen op het virtuele papier. Vanwaar komen zij? Die bestonden toch niet? Conversaties, relaties, interpretaties. Een plot tekent zich af. Wie heeft dat verzonnen? Wie zijn die mensen die tot leven komen voor mijn ogen? Vanwaar komen hun angsten, hun frustraties, hun verlangens? Waarom zijn ze wie ze zijn? Wie heeft hen gevormd? Wie heeft hen gekwetst?
Verbaasd staar ik naar het verhaal dat zich voor mijn ogen ontvouwt. Ik ben blij. Wat is het zalig een schrijver te zijn. Een schepper. In alle bescheidenheid.


90 - Loterij

Welkom in de loterij van het leven. Kies een nummer tussen 0 en 80. Voor de gelukkigen is er een bonusnummer tot 100 en één keer per maand is er een superbonus tot 110.
Opgelet, winst is niet gegarandeerd, spelen is op eigen risico. Misschien valt jouw nummer, misschien niet.
Klachten zijn op voorhand onontvankelijk. Inzet wordt niet teruggestort.
Hoe je de winst besteedt, is volledig jouw eigen verantwoordelijkheid. De loterij is niet aansprakelijk als jouw winst voortijdig is opgebruikt. Herkansing is onmogelijk.
Een finaal advies: geniet dagelijks van jouw winst, gebruik ze verstandig en spreid ze.
Veel geluk!


89 - Kindjes maken moeilijk?

‘Mama, is kindjes maken moeilijk?’
‘Euh nee. Waarom vraag je dat?’
‘Juf Tania vertelde dat vandaag. Ze zei dat jij en papa veel moeten kussen en  dat papa zijn zaadjes aan jou geeft. En dan groeit een kindje in jouw buik.’
‘Je hebt goed opgelet, schat.’
‘Willen jullie nog een kindje maken, mama?’
‘Zou je dat leuk vinden?’
‘Ja! Is dat moeilijk?’
‘Dat gaat niet altijd gemakkelijk. Maar als je genoeg oefent, lukt dat wel.’
‘Dat is dan heel lief van papa, hé mama.’
‘Wat is lief van papa?’
‘Dat hij elke week zo hard oefent met de poetsvrouw.’


88 - Klungeltje

'Echt waar Donald, wat ben je toch een klungeltje!’
'Dat ben ik niet! Ik ben de grootste klungel die deze wereld ooit gezien heeft! Niemand heeft ooit beter geklungeld dan ik. Geen president voor mij heeft klungelen verheven tot de status die ik er aan gegeven heb. Ik heb klungelen tot een kunst gemaakt. Ik zal herinnerd worden als de ultieme klungelaar. Ik en niemand anders! Laat het dus heel duidelijk zijn. Iedereen die iets anders beweert, is een fake klungelaar. Ik ben geen klungeltje, ik ben de opper klungel.’


87 - Klungeltje

‘Vertel eens. Hoe was jouw leven?’
Gelaten staar ik naar de grijze man. ‘Ik was een klungel.’
‘Hoezo?’
‘Ik had geen cent, kon geen job houden. Elke vrouw verliet mij, mijn kinderen liepen van mij weg.’
‘Waarom?’
Ik haal mijn schouders op. ‘Ik weet dat ik niet knap ben, maar werkte hard en deed alles voor hen. Blijkbaar niet genoeg.’
‘Heb je hen ooit pijn gedaan?’
‘Nee!’ Tranen plenzen. ‘Dat zou ik nooit doen, ik wilde enkel dat ze van mij hielden.’
Uitnodigend wijst Sint-Pieter naar een lange tafel. ‘Neem plaats, klungeltje. Naast mij, aan de eretafel.’


86 - Klungeltje

'Mama, mag klungeltje komen spelen?'
‘Wie?'
'Klungeltje. Die nieuwe jongen in de straat.’
'Het is niet mooi dat je hem zo noemt.'
‘Maar iedereen doet dat.'
'Waarom?'
Pietje haalt zijn schouders op. Ik kijk boos naar hem als een jongen met krukken wankelend toekomt.
'Dag jongen.’
‘Dag mevrouw.'
‘Hoe heet jij?’
‘Klungeltje, mevrouw.’
Ik slik en probeer kalm te blijven. ‘Nee, jongen. Jouw echte naam.’
‘Dat is mijn echte naam. Mama vond papa een grote klungel.’ Hij grijnst schaapachtig. ‘Ze wilde dat zijn zoon klungeltje heette.’
Ik staar naar zijn krukken.
‘Oh dat? Ongeval bij het voetballen. Dom hé.’


85 - Altijd iets

‘Je kijkt zo boos jongen?’
'Echt waar, mama. Het is altijd iets!’
Haar gerimpelde vingers strelen mijn handen. ‘Wat scheelt er?’
'Och, mijn baas weet niet wat hij wil. Ellen wil meer reizen, de tweeling wil niet slapen. En ik moet alsmaar meer werken.’
Ze knijpt in mijn hand. ‘Is dat alles?’
'Nee. Ik ben de files en dat kloteweer hier beu en de politiek in dit land trekt ook op niets!’
Ze glimlacht, streelt mijn wang. 'Het is inderdaad altijd iets, jongen.’ Ze drukt een kus op mijn voorhoofd. 'Maar als er niets meer is, zijn we dood.’


84 - Belofte

De dichtvallende poort trekt krassen door zijn ziel. Hij ademt diep in. Na twee jaar is de lucht hier veranderd. Hij knippert hevig als een vrouw naar hem toeloopt in het felle licht van de straatlantarens.
‘Dag Laura.’
‘Hey schat. Ben je niet blij mij te zien?’
'Ik had je niet verwacht …’ Zijn hart schreeuwt. ‘Waarom ben je hier?’
‘Ik had toch beloofd je op te halen als je vrijkwam.’
Hij ontwijkt haar kus, stapt achteruit. ‘Was dat toen je beloofde mij elke week te bezoeken?’ Hij kijkt naar haar bolle buik. ‘En mij trouw te blijven?’


83 - Alles went ... of niet?

Schrikbarende beelden op TV. Mensen schudden handen.
‘Wat!’
Een massa bij elkaar.
‘Nee!’
Mannen en vrouwen raken elkaar aan. Zonder afstand.
‘Doe dat nu toch niet!’
Schouderklopjes, knuffels.
‘Waar zijn die mee bezig! Dit kan niet meer!’
Een banner doorkruist het beeld. ‘Deze opnames werden gemaakt voor de huidige coronamaatregelen’.
Een zucht van opluchting ontsnapt. Heel even.
Het besef hoe vreselijk mijn opluchting is, explodeert. Mijn verlangen om elkaar weer aan te kunnen raken, beneemt mijn adem. Ik wil het niet fout vinden dat mensen knuffelen. Ik wil niet huiveren door intimiteit. Ik moet terug naar hoe het was.


82 - Overdosis UKV van de week - Schrijven Online - 15/01/2021

‘De druk in zijn hoofd stijgt te snel! Roep de hulpdiensten!’
‘Zijn ogen springen eruit!’
‘Snel, open zijn mond!’
‘Wat heeft hij?’
‘Inspiratieoverdosis.'
'Wat?'
'Teveel verhalen die rondspoken in zijn hoofd. Bijzonder gevaarlijk.'
‘Wat nu?’
Loeiende sirenes van het literaire urgentieteam jagen de spanningzoekers uiteen.
'Maak plaats, wij lossen dit op.'
Gehaast prikt de spoedbibliothecaris een dikke pen achter zijn linkeroor. Ratelend en vertellend stuiven tientallen UKV’s uiteen in alle literaire richtingen.
‘Net op tijd. Hij heeft weer ruimte in zijn hoofd. Maar let op, dit is slechts tijdelijk. Deze schrijfverslaving moet behandeld worden of het loopt ooit fout.’


81 - Wolkeloos

‘Mama, wil je nog eens vertellen hoe de hemel eruitziet?’
‘Natuurlijk lieverd. De lucht is diepblauw, met een helderrode vuurbol aan de einder en enkele wolken.’
‘Wat is blauw?’
‘Dat is dat zachte gevoel van schone lakens op je huid.’
‘Daar word ik rustig van.’
‘Ja.’
‘En rood?’
‘Dat is de kleur van opwinding.’
‘Zoals mijn hart bonst en hitte naar mijn hoofd stijgt als ik boos ben.’
‘Ja, lieverd.’
‘En welke kleur hebben wolken?’
‘Die zijn zilverwit. De kleur van rust, van evenwicht en blijdschap. Zie je het?’
‘Ik begrijp het.’
‘Hoe voel je je, schat?’
‘Wolkeloos, mama …’


80 - Zoem Zoem

‘Ik kom de puntjes op de i zetten!’
Pontificaal landt de dikke vlieg met het gouden gat naast de koeienvlaai.
Mierzoete verwijten van de fruitvliegen weerklinken zuur. ‘Wat een zeemzoeterige aanstelster! Schijnheilige appelflap!’
Bromvliegen brommen brommend mee. ‘Wie heeft jou ineens oppervlieg gemaakt?’
‘Ik hoor jullie! Doe gewoon wat ik vraag, meer niet.’
Smakkende strontvliegen zuchten en staren naar de wolkeloze hemel. ‘Stinkende, ontplofte skeuomorf! Je krijgt zo echt een dubbele klets op je kont.’
‘Kom maar af.’
‘Ik wil haar zoenen,’ roept de eendagsvlieg. ‘En een cantate voor haar zoemen. Mijn hoogtepunt vandaag.’
‘Oké,’ zoemt Beyoncé wellustig. ‘Zoem!’


79 - Wolkeloos

‘Mama, waarom is de hemel werkeloos?’
‘Wat zeg je, jongen? Wie is er werkeloos?’
‘De hemel.’
Zijn kleine vingers wijzen trillend naar boven. ‘Daar, kijk maar.’
‘Wat bedoel je?’
‘Onze juf vertelde dat iemand die geen werk heeft, werkeloos is.’
‘Dat is juist voor mensen, maar de hemel moet niet werken hoor.’
‘Hij moet toch regen geven? Zodat de plantjes kunnen groeien.’
‘Ja, maar dat kan de hemel toch?’
‘Hoe dan? Er zijn geen wolken?’
Ik glimlach en woel door zijn wilde krullen. ‘Dat is oké lieverd. De hemel is niet werkeloos.’
‘Echt niet?’
‘Hij is gewoon even wolkeloos.’


78 - Boom

‘Kwart voor vier. Het is tijd.’
Gespannen lopen ze naar het plein. De schoolbel rinkelt, de grote boom geeft hun dekking.
‘Zie je hem?’
‘Daar, op de vijfde rij.’
‘Voorzichtig, hij mag ons niet zien.’
‘Hij lacht.’
‘Zie je die kroon?’
‘Ja, zo leuk wat ze doen voor zijn verjaardag.’
‘Waar is zij?’
Angstig kijken ze om zich heen. Een norse vrouw grijpt zijn hand.
‘Kijk mama, ik kreeg een kroon.’
‘Huh. Wat? Oh, leuk.’
‘Vieren oma en opa mee dit jaar?’
‘Nee, Jonas. Dat gaat niet.’
‘Waarom niet?’
‘Ze kunnen niet.’
‘Maar ze wachten achter die boom …’


77 - Drijfzand

‘Het is voorbij …’
Drie fatale woorden storten mij van de top, mijn hart snelt voor mij uit. Klauwend reik ik naar houvast, mijn hoofd tolt in cirkels, vaste grond vlucht weg. Gulzig drijfzand slokt mij op, zuigt mij in het duister. Ik huil, probeer boven te blijven, mijn mond verdwijnt onder het oppervlak. Mijn ogen roepen om licht, mijn longen smeken om lucht.
‘Ik was verkeerd, ik kom terug …’
Mijn hart wil herleven, zachte handen trekken mij omhoog. Licht wil mijn ogen vullen, mijn longen blijven smeken. Koude lippen balsemen mijn bloedend hart. Het doet nog steeds zo’n pijn …


76 - Skeuomorf

‘Juf, wat is een Skeuomorf?’
‘Goh, da’s een moeilijke.’ Ze denkt na. ‘Of ook weer niet. Het is iets wat nut lijkt te hebben, maar in werkelijkheid niets doet.’
‘Heeft u een voorbeeld?’
‘Neem de vorige president van de VS. Onder die gele kuif zat een hoofd. Dat werd verondersteld verstand te bevatten, maar in vier jaar is er niets zinnig uitgekomen. Zijn mond werd verondersteld wijze woorden te verkondigen, er kwam enkel narcistische onzin uit. Zijn handen werden verondersteld het land te verenigen, ze hebben gegolfd en verdeeld. Zie je het?’
‘Helemaal. Is hij dan de ultieme Skeuomorf?’


75 - Gelukkige nieuwjaar ...

Hij wankelt, steunt tegen muren, schuifelt van schaduw naar schaduw. Bittere kou bijt in zijn gelooide huid, brandt door zijn gescheurde kleren. ‘Waarom is alles dicht?’ Witte wolken begeleiden zijn hese woorden in de stille nacht. ‘Mijn kist staat al klaar.’
Een blauwe ToiToi lonkt. ‘Jakkes.’ Zijn lege maag verkrampt. ‘Maar het is droog.’ Dikke druppels in zijn nek zetten zijn woorden kracht bij. Hij reikt naar de deur, een luide stem stopt zijn hand.
‘Hey, schooier!’ Woedend loopt de bewaker dichterbij, zijn stok in de lucht. ‘Oprotten!’
Hoofdschuddend vlucht hij weer in de kletsnatte schaduwen. ‘Ook gelukkig nieuwjaar.’


74 - Skeuomorf

‘Hoe komt het dat jullie vier jaar nodig hadden om die Skeuomorf te ontmaskeren? Er was toch niets dat functioneerde?’
‘Ik weet het, maar het is niet zo eenvoudig.’
‘Hij leek toch in niets op wat hij hoorde te zijn.’
‘Nee, maar hij kan goed praten.’
‘Veel ja, maar goed?’
‘Hij kan golfen.’
‘Sinds wanneer is dat genoeg?’
‘Hij lijkt belangrijk. Hij kan roepen, tieren en mensen bedreigen.’
‘En? Dat zijn toch geen functies van een president? Is er iets echt aan die mens? Hij is een complete Skeuomorf?’
‘Nee. Eén ding is echt.’
‘Wat dan?’
‘Zijn haar.’


73 - Prince forever

Het Sportpaleis ontploft als Prince zijn Kiss met een dubbele klets op zijn gitaar het publiek inwerpt. ‘Hello Antwerp!’ Hij knipoogt naar de zoemende schone met het gouden rokje op de eerste rij, zet een echte raspberry baret op en schrijdt pontificaal als een geile heilige over het podium. ‘Sssst,’ roept hij. De stilte bruist, Sheila E houdt haar drumsticks in de lucht. Van op de zijkant attendeert ze hem op de puntjes op de vloer. Hij springt erop, maakt het publiek gewoon gek door een draai aan de paarse knopjes op zijn broek. ‘Ready? Oké, let’s go crazy.’


72 - Nieuwjaarke zoete ...

‘Nieuwjaarke zoete …’
Zou het? Hoop rammelt aan mijn geest. Ik duw ze weg, de gezangen drijven me verder.
‘Een varken heeft vier voeten …’
Ik schuifel naar de deur. Zijn zij het?
‘Vier voeten en ne staart …’
De scharnieren kraken, mijn hart versnelt.
‘Is dat soms geen centje waard?’
Drie lachende buurmeisjes houden hun snoepzak open. Bevend grijp ik snoepjes en centjes uit het mandje in de hal.
'Alsjeblieft meisjes. Gelukkig nieuwjaar.’
‘Dankuwel mevrouw, gelukkig nieuwjaar!’
Ze huppelen naar het volgende huis. Ik sluit de deur en staar naar de stapel lievelingssnoep naast het mandje.
‘Dit jaar komen ze wel.’


71 - Skeuomorf

‘Beste burgers. Het is mijn grote eer u vandaag voor te stellen aan onze zevende minister van volksgezondheid. Net als zijn collega’s zal hij ervoor zorgen dat het niet duidelijk is wat we moeten doen om gezond te blijven. Hij zal zorgen dat er nieuwe regels komen die niemand begrijpt en die ons zoveel stress bezorgen dat we dringend op zoek moeten naar medische hulp. Die nog minder beschikbaar zal zijn door het geld dat niet meer naar de zorg, maar naar zijn departement gaat. Wij wensen hem veel succes.
Zijn naam is Skeu o’ Morf. Ierse roots indeed.’


70 - Perspectief

‘Ik zou graag meneer Pfizer spreken.’
‘Dat zal niet gaan. Kan ik u helpen?’
‘U moet het vaccin vernietigen!’
‘Ik kan u verzekeren dat het heel veilig is, meneer. Het is grondig getest.’
‘Maar het zal mijn leven overhoop halen! Alles wat ik maanden opgebouwd heb, is in gevaar.’
‘Meneer, vaccinatie is niet verplicht, maar er zullen vele levens door gered worden.’
‘U begrijpt het niet, mijn leven mag niet terug worden zoals het was. Het is perfect zoals het is. Het virus moet blijven!’
‘Sorry, meneer, maar dat is bijzonder onredelijk. Hoe was uw naam?’
‘Jack. Jack Russel.’


69 - Perspectief

‘Die lock-down werkt zo ongelooflijk op mijn systeem! Geen etentjes, geen feestjes. Wekenlang niet shoppen, geen skitrip dit jaar. We mogen niets meer. Ik kan er niet meer tegen!’
‘Het is niet leuk, maar seriously? Je zit veilig en warm binnen. Je hebt eten, drinken, facebook, whatsapp. Als je ziek bent, kan je naar de dokter. Netflix is onuitputbaar. Je kan lange wandelingen maken of een goed boek lezen. Er is zoveel te doen.’
‘Zo zie jij dat, maar voor mij is dit echt niet meer houdbaar.’
‘En wat denk je dat de mensen in Ethiopië houdbaar vinden?’


68 - De basis

'Wat doe jij nu?’
‘De compostbakken omzetten, dat zie je toch?’
‘Vandaag? Het is 1 januari!’
‘Natuurlijk, de perfecte dag daarvoor!’
‘Wat heeft compost met nieuwjaar te maken?’
‘Alles! Compost is de basis van al het goede. De rijpe compost maakt de grond vruchtbaar voor een goede oogst. Dan woel ik de jonge compost om en haal de onverteerbare vuiligheid van het vorige jaar eruit. Dat geeft zuurstof aan de lagen die nog moeten rijpen, waarna ik de ruimte ertussen vul met dunne laagjes kleurrijke herfstbladeren, rijk aan voedingsstoffen. De perfecte basis voor volgend jaar.’
‘Lang leve potgrond!’


67 - Goede voornemens

‘Wat zijn jouw goede voornemens voor dit jaar?’
‘Minder drinken. Vanaf nu drink ik niet meer dan één glas.’
‘Heeft dat misschien te maken met die vier lege flessen wijn die je vanochtend naar de glasbak droeg?’
‘Euh, nee hoor. Die zijn niet van gisteravond.’
‘Hmm. Jouw ogen zijn toch een beetje klein.’
‘Te laat naar TV gekeken. Er was Home alone 2. Kan ik niet missen.’
‘Juist ja. En hoelang ben je dit jaar van plan je voornemen te houden?’
‘Wel euh, tot het volgende glas?’
‘Happy New Year!’


66 - Pronostiek

Rillend dek ik 2020 toe terwijl bittere tranen groeven trekken door mijn wangen. Teveel dierbaren vluchten weg door de verblindende waas. Ze verbraken hun belofte om elkaar in 2021 terug te zien, hun herinnering brandt eeuwig in mij.
Ik droog mijn ogen, open het nieuwe jaar, speur naar beterschap aan de horizon. De arena in mijn hart loopt vol. Hoop wapent zich tegen wanhoop, optimisme bekampt angst, volhouden jaagt opgeven in de touwen. Hielen in het zand, klaar voor de strijd. Ik weet wie moet winnen, mijn overleven is de inzet.
Ik bid dat mijn pronostiek dit jaar uitkomt.


65 - Lock-downgeur

‘Wat is die geur?’
‘Welke geur?’
Haar neus duikt richting zijn oksel. Walging siert haar gezicht als ze naar zijn arm wijst. ‘Die geur. Wanneer heb jij je nog gedoucht?’
‘Euh, eergisteren?’
‘Djeezes! En je bent gisteren gaan hardlopen. Waarom was jij je niet?’
‘De camera op mijn laptop ruikt dat niet hoor. Niemand van de mensen in die online meetings heeft daar ooit over geklaagd.’
‘Nee, maar ik wel. Als je niet binnen de vijf seconden onder de douche staat, stuur ik iedereen in jouw online meeting een flesje met jouw geur.’
‘Ik ben al weg.’


64 - Het nieuwe normaal

Wervelende rust bedwelmt mij als ik de concertzaal binnenloop. De dubbele kletsen die diverse lock-downs uitdeelden, zinderen door mijn lijf. Het verlangen naar de tijd dat we zorgeloos popcorn van dezelfde kant aten, brandt buitengewoon intens. Het ontplofte enthousiasme als Queen B pontificaal het podium betreedt, is verre van schijnheilig, maar echt!
Ze heft haar handen in de lucht, de zaal valt stil. Lachend kijkt ze rond.
‘Are you ready?’
Vijftienduizend stemmen brullen als één. ‘Halo!’
Beyoncé schudt haar gouden kont, steekt haar tittels vooruit, werpt de ziedende massa een uitbundige zoen. ‘Hello to you! Okay, let’s go!’


63 - Ontplofte

Zwaailichten voor mijn huis slaan mijn ziel in twee. De grond zakt weg onder mijn voeten. Mijn achtjarige zoon is alleen thuis. De eerste keer sinds …
‘Wat is er gebeurd?’ Twee agenten veroordelen mij.
‘Bent u de eigenaar van dit huis? De vader van de jongen?’
‘Ja! Waar is hij?’
Eentje wijst naar een ziekenwagen. Struikelend loop ik naar daar. Mijn hart stopt. Hij is ongeschonden, maar één brok ellende. Ik druk hem stevig in mijn armen.
‘Niet boos zijn, papa.’
‘Wat is er gebeurd?’
‘De oven ontplofte.’
‘Waarom?’
‘Ik wou plofkoekjes maken voor jouw verjaardag. Zoals mama deed…


62 - Overdaad schaadt

'Jij schrijft teveel!’
'Maar ik heb dat nodig.’
'Rust heb jij nodig. Elke dag schrijven is niet gezond! Kan je woorden blijven spuien zonder dat alles eenheidsworst wordt? Herkauwen, schrappen, verbeteren tot je blind bent. Droogt je inspiratie niet op? Waar zijn je dubbele bodems? Is de speurtocht naar originele invalshoeken en verrassende verhaallijnen nog leuk of meer een last?’
'Ja ... soms is het wel wat moeilijk.’
'Zie je wel!’
'Je hebt gelijk. Ik zal rusten, afkicken. Mijn hoofd moet leeg. De pauzeknop aan. Je zal me een tijdje niet horen. Tijd voor iets anders. Oké?’
'Oké.’
'Tot … morgen?’


61 - Feest

‘Ik haat kerst en nieuwjaar. Al die geforceerde feestjes waar je je volpropt met eten, je altijd vrolijk moet zijn en lacht naar iedereen.’
‘Maar …’
‘Waar je cadeautjes moet geven die je niet wil geven en blij moet zijn met geschenken die je thuis zo snel mogelijk in een kast wegstopt of weer verkoopt of omruilt.’
‘Wacht …’
‘Voor mij mogen de feestdagen dit jaar zo snel mogelijk voorbij zijn!’
‘Meen je dit? Op welke planeet heb jij geleefd? Dit jaar zullen er geen feestjes zijn hoor.’
‘Wat? Hoezo? Geen enkel? En de kalkoen en kroketten dan? En mijn verrassing?’


60 - Kerst cantate

Getrippel op de vloer verjaagt mijn droom van jou. Het vermenigvuldigt, ruist en fluistert. Ben jij dat? Ik druk mijn vingers in mijn oren, een kriebeling trekt over mijn arm. Wat? Nee! Trillend knip ik het nachtlampje aan. Mijn hart vergeet te kloppen. Talloze blauwe mannetjes rollen over elkaar op jouw lege plek. Een rode muts klautert op mijn buik. Hij kijkt over zijn schouder en knipoogt naar mij. ‘Klaar?’ Een tik met zijn stok, het geroezemoes verstomt. Stok in de lucht, synchroon ademen ze in.
‘Van haar, voor jou.’
Zacht zingen ze uit volle borst: ‘Stille Nacht …’


59 - Fair

‘Jozef, ik denk dat het tijd is.’
‘Wacht nog even, Maria. Alle hotels zijn dicht door corona, maar over de grens zijn ze open.’
‘Vraag jij jouw zoon of hij wil wachten? Zo werkt dat niet hoor!’
‘Mijn zoon? Ben je vergeten dat ik er voor niets tussenzit? Vraag aan zijn vader dat hij het regelt.’
‘Zijn vader is hier niet.’
‘Daar kan ik niets aan doen. Ik ben maar stand-in.’
‘Dat is niet fair, Jozef.’
‘Is het wel fair dan dat zijn vader de mensen hier de baas heeft laten worden? Je ziet wat daarvan komt!’


58 - Warme Kerst

De scharnieren van de kale deur knarsen scherp.
‘Hallo …’
Verfschilfers springen rond terwijl glinsterende stofjes de charleston dansen in de ondergaande zon. Opgewonden tuur ik in het duister waar krakende voetstappen op het oude parket mij verwelkomen.
‘Ik ben er, heb gebakjes bij …’
Een schaduw nadert. Ik moet niet bang zijn, hij is een goede man. Misschien wat eenzaam, net daarom nodigt hij mij uit. Niet? Bovendien is het kerst, dan moeten we alleenstaanden warmte schenken.
‘Ik ben blij dat je gekomen bent.’
Zijn diepe stem wenkt me. Ik stap vooruit, de deur klapt dicht. Door de wind. Toch?


57 - Ungry Junkie

‘Wat? Schrijf je nu weer?’
‘Ja …’
‘Onvoorstelbaar. Wat schrijf je?’
‘Euh …’
‘Toch niet weer een UKV?’
‘Ja, ik kan niet anders.’
‘Dat moet je mij eens uitleggen.’
‘Het is goed voor mij.’
‘Onzin, je bent gewoon verslaafd aan de aandacht. Jij leeft voor likes en commentaren. Als je er niet snel een hoop hebt, word je ungry.’
‘Ungry? Wat is dat nou weer?’
‘UKV-without-likes-angry.’
‘Jij bent gek!’
‘En jij bent verslaafd.’
‘Maar nee. Het is echt goed voor mij.’
‘Hoezo?’
‘A UKV a day keeps the doctor away.’
‘Jij bent gek, jij Ungry UKV junkie!’


56 - Cantate

Statige gezangen dringen in mijn hoofd, mijn benen trillen als ik door de middengang naar jou loop. Je lacht naar mij. Ik streel jou, je aanraking vliegt weg door de hoge gewelven waar de muziek steeds luider klinkt en mijn hoofd opvult. De melodie wringt zich in de kloven tussen mooie herinneringen en het eenzame afscheid. Mijn ogen vluchten weg van jouw vereeuwigde lach op de staander, zoeken troost bij vijftien verspreidde genodigden die meelevend knikken naar mijn tranen … en verdergaan. Ik sluit mijn ogen en laat Bach’s Actus Tragicus mijn hart balsemen voor de leegte die mij wacht.


55 - Cantate 13

Gewoon, één van die ochtenden. Heimelijk verschalkt de wekker mij. Onverholen verleidt hij mij om twee keer op de puntjes van de snoozeknop te kletsen. De derde sirene sleurt me uit mijn slaap.
‘Echt? Niet opnieuw!’ Ik vlieg recht. ‘Niet nu tante Tamira met het gouden achterwerk op bezoek is!’
Verward strompel ik naar de badkamer. De koude douche stookt een aarzelende helderheid in mijn warrige geest. Zoonlief drukt een slaapdronken zoen op mijn wang.
‘Opnieuw?’
‘Opnieuw.’
'Stomme wekker.’
‘Tja. Oké, luister, ik heb weinig tijd. Doe jij het sinaasappelsap? Ik de muesli. En misschien kan Ta thee zetten?’


54 - Cantate

Gegroet, machteloze aanhoorders van foute waarheden
Luister naar onze ware woorden, voor u beleden
Laat u niet verblinden door wetenschap en beleid
Aanhoor onze waarheid, voor nu en voor altijd

Uw leiders weten niet waar hun roer u brengt
Ze denken niet aan u of mij, ze zijn zo licht gekrenkt
Doe zoals wij, zweer alle onderbouwing af
Geloof enkel nog jezelf, tot aan het graf

Wij hebben de waarheid, het licht, het leven
Wij zullen u meenemen, of toch voor even
Wij zullen u sturen, tot aan de rand
En dan zijn wij weg, voor ons gat verbrandt


53 - Stippen

Een boze grijze virusbol vol met roze stippen
Liet alle burgertjes vele malen flippen
Boe zei de virusbol met een luide zucht
Vlogen stoute burgers met hun party’s in de lucht

Maar het stoute burgertje hield niet op met trippen
En die rode virusbol kon steeds meer mensjes knippen
Daar kwam vader staatsman aan en die zei toen luid
Hou nou toch eens afstand, of je gaat nooit meer uit

Wacht nu op het spuitje en blijf braafjes binnen
Laten we toch moeite doen en geen ramp beginnen
Straks kunnen we feesten en dansen gans de nacht
Is het nu zo moeilijk dat je even wacht


52 - De laatste plek

Verdwaasd ontwakende ogen zoeken jou. Ik zie je niet. Mijn huilende hoofd klauwt en vecht om jou terug te brengen. Het lukt me niet.
Twijfelend begrip verpulvert mijn hart, weten baant zich kervend een weg door mijn weigerende geest. Ik wil me niet herinneren naar waar jij vertrokken bent, die plek in de diepte maakt mij eindeloos bevreesd.
Ik wil jou hier bij mij, op mijn bank. Ik wil je voelen, jouw warme lijf in mijn armen. Ik leg me neer, sluit mijn ogen en reis terug naar de enige, eenzame plek waar jij mij wel nog kan verwarmen.


51 - Herfst

Jack’s kwispelende staart gaat in overdrive als hij opgewonden scharrelt door het dikke bladeren tapijt.
‘Wat zie je, jongen?’
Ik loop dichter, mijn adem stokt. Een spierwitte hand met klauwende vingers zoekt een uitweg tussen de kleurrijke bladeren. Mijn hoofd wordt donker. ‘Help!’ roep ik luid en hees. Geschrokken komen omstaanders dichterbij. Angstige blikken volgen het pad van mijn trillende hand.
‘Wat is er meneer?’
‘Een … lijk.’
Een agent snelt toe. ‘Meneer, is alles oké?’
‘Daar …’
Zijn lach boort door mijn hoofd.
‘Wat?’
'U weet toch dat het herfst is?’
'Huh?’
'Paddestoelenseizoen?’
Mijn fantasie moet dringend aan de ketting.


50 - Retrospectie

‘Komaan, doe niet zo flauw, ik wil een zoen.’
‘Echt niet! Nog niet als je een gouden kont had, of mij onderdompelde in kokend ijs. Jouw vraag is excessief onethisch.’
‘En als ik me helemaal dubbel plooi voor jou, wil je dan?’
‘Wil je een klets op je hoofd? Doe nou eens gewoon zeg!’
‘Maar jij maakt mij compleet! Jij zet de puntjes op mijn i!’
‘Maar ik wil jouw tittels niet zijn! Zoals jij pontificaal door de gangen schrijdt, terwijl je kwijlend naar alle vrouwen loert! Nee hoor, schijnheiligaard. Jij bent niet de ware voor mij. Oké?’


49 - Erfenis

Jouw woorden weerklinken uit mijn mond. Mijn bedenkingen echoën in zijn stem. De blik in jouw ogen als ik weer iets fout deed, brandt op mijn gezicht als ik mijn kind berisp. Ik moet streng zijn voor zijn fouten, lachend warmt mijn hart door de spiegel voor mijn neus. Ik kan het niet verbergen, ik heb jouw trekken, hij heeft mijn gezicht. Ik werd kwaad over jouw frustraties, hij windt zich op in mijn zorgen en angsten. Zonder woorden knikken we instemmend naar elkaar.
Ik ben jij en hij is ik. Wij zijn wij. Bloed, vader, zoon. Eén.


48 - Niets

‘Mama, zijn wij niets?’
Mijn wenkbrauwen rijzen. ‘Wat zeg je, lieverd?’
‘Zijn mensen echt niets?’
‘Natuurlijk niet. Waar haal je dit?’
‘Juf Loes vertelde dat.’
Onrust borrelt in mijn lijf. ‘Wat heeft zij gezegd?’
‘Dat wij niets zijn.’
Mijn hand reikt naar mijn mobieltje. Dit laat ik hier niet bij!
‘Dat mensen niets zijn in het heelal, nog geen pluisje in het grote geheel der dingen. Een vergankelijk stofje, voorbij in een zucht. Een onooglijk deeltje van de natuur.’
Mijn hand zakt.
‘Dat we onze plaats moeten kennen.’
Fierheid groeit voor mijn achtjarige dochter.
‘Lieverd, juf Loes heeft gelijk.’


47 - Oké

Oké. Challenge accepted. Als dat voor iedereen oké is tenminste? Ik wil niemand tegen de schenen schoppen dus als iemand er niet mee oké is dat ik dit verhaal schrijf, stel ik voor dat ze dit nu zeggen of voor altijd zwijgen. Oké?
Ik weet dat ik wellicht overdrijf met het gebruik van oké, dat overmatig gebruik niet helemaal oké is, maar wat wil je? Ik doe ook maar wat ik denk dat oké is. Ik ben een mens zoals elke andere. Met tekortkomingen en gebreken. En dat is toch oké. We zijn allemaal imperfect. Oké?


46 - Goede nacht

Het was een goede nacht. Drie keer werd mijn slaap onderbroken door kronkelingen in mijn geest. Drie keer was de muze in mijn hoofd zo sterk dat ik niet anders kon dan opstaan en mijn hersenspinsels toevertrouwen aan het virtuele papier. Onaf, ruw en ongeslepen. Zonder het schaafwerk dat voorbehouden is aan de wakende uren, maar zuiver genoeg om opgenomen te worden in de lijst van verhalen die het levenslicht mogen zijn.
Drie keer kroop ik terug tussen te lakens. Tot mijn hoofd weer in overdrive ging en nieuwe verhalen naar buiten duwde.
Het was een goede nacht.


45 - Morgen

Vandaag is grauw. Ze liegen tegen mij. Morgen is alles weer goed, dan kom jij terug. Vandaag waart mist door mijn hoofd. Ik geloof niet wat ze vertellen. Jij bent er wel nog. Straks kom je naar huis.
Ik zie je nog. Je ‘tot straks’ kus brandt op mijn lippen. Je groene ogen dansen lachend voor mij. Ze knipogen en beloven. Je lieve stem galmt door mijn hoofd. Je bent er.
Ze liegen. Ze willen mij pijn doen. Ik geloof ze niet. Morgen kom jij terug en is alles goed. Ik moet alleen geduld hebben. Tot morgen. 


44 - Gaan

Don’t …
Thelma, zwijg!
Ze aarzelt bij de deur. ‘Waarom ga je?’ 
‘Het ligt niet aan jou.’
Don’t leave me …
Ik breek. ‘Natuurlijk ligt het aan mij. Zeg me wat ik moet doen.’ Haar huilende ogen trekken diepe kloven in mijn hart.
‘Echt niet. Het ligt aan mij.’
‘Is er iemand anders?’
Ze schudt haar hoofd. Tranen verdrinken haar stem. Een zachte kus op mijn wang als laatste souvenir voor ze de deur dichttrekt. Ik zak op de grond in elkaar terwijl Thelma Houston één zin eindeloos door mijn hoofd boort.
Don’t leave me this way.


43 - Schijnheilig

Luide kreten ondersteunen de betoging.
‘Stop kinderarbeid’ ‘Koop lokaal’ ‘Steun lokale productie’ ‘Milieu eerst’ ‘Stop overconsumptie’
Talloze borden zweven boven de scanderende menigte in de drukke winkelstraat. Woedende blikken tooien hun gezicht. Ik steek mijn duim omhoog, annuleer mijn bestelling bij Amazon en drink een koffie om de hoek.
De betoging is voorbij, de deelnemers zwermen uit elkaar. In grote aantallen duiken ze de mega discount stores binnen waar ze wat later met meerdere zakken naar buiten komen en een Pink Lady appel eten.
Ik zucht en drink van mijn Fairtrade koffie. Zullen we het ooit leren?


42 - Lieverkoekjes

‘Ik vind dit echt niet leuk.’
‘Dat weet ik, maar het moet.’
De blikken om mij heen worden alsmaar bozer. ‘Waarom?’
‘Omdat het in ieders belang is. We hebben geen keuze. We moeten volhouden of de zorgsector ontploft. Dan vallen de zwakken met bosjes. Is dat wat je wil?’
‘Nee, natuurlijk niet, maar ik wil mijn vrijheid. Ik wil kunnen rondlopen en mijn eigen zin doen. Zonder beperkingen. Dat heb ik veel liever.’
Mijn brede grijns wakkert de woede nog aan.
‘Waarom lach je?’
‘Weet je wat mijn mama altijd zei?’
‘Nee. Wat?’
‘Lieverkoekjes worden niet gebakken.’


41 - De sollicitatie

‘Ik weet wat ik wil voor Kerst.’
Vier paar wenkbrauwen rond de tafel gaan simultaan de hoogte in. ‘Wat zegt u?’
‘Dat ik weet wat ik wil.’
Vragende blikken worden uitgewisseld. ‘En wat mag dat dan zijn?’
‘Als ik dat vertel, moet ik u doden.’
Het geschuifel neemt toe, angst overspoelt onzekere ogen. ‘Meneer, u weet toch voor welke job u hier bent?’
‘Zeker. U ook?’
Stoelen vallen omver. Zweet parelt, gehijg weerklinkt. ‘Dit is niet grappig.’
‘Dat denk ik ook niet.’ Vier schoten weerklinken. ‘Ik wil een job als huurmoordenaar.’ Ik sta recht. ‘Ik denk dat ik ze heb.’


40 - Minoes

De duisternis van de onverlichte straten schenkt tijdelijke rust. Niemand die mijn angsten ziet, geen mens die de twijfel in mijn ogen kan misbruiken.
‘Dag Minoes.’
Een zwarte kat loopt met zekere tred naar me toe, kop hoog in de lucht. Groene ogen boren zich twijfelloos in de mijne.
‘Was ik maar zoals jij.’
Het dier streelt langs mijn been. Zachte haren dringen door mijn kousen, de kriebeling verzacht mijn brandende pijn. Jaloers kijk ik het dier na dat onverstoord zijn eigen weg gaat. Niets brengt het uit balans, niemand zal het kooien.
‘Was ik maar een kat.’


39 - Schijnheilig

‘Naar het schijnt willen ze Maradona heilig verklaren.’
‘Echt? Waarom?’
‘Omdat hij de beste voetballer aller tijden was.’
‘Oké, maar daarom is hij toch niet heilig? Bovendien heeft hij niet altijd een rechte schaats gereden tijdens zijn leven.’
‘Zo zijn er zeker nog heiligen geweest.’
‘Waarschijnlijk, maar toch. Het is toch niet omdat iemand ergens het beste in is dat we hem of haar heilig moeten verklaren. Trump vindt zichzelf ook de beste president aller tijden, moeten we hem dan ook ooit heilig verklaren?’
‘Nee, die mag de status houden waar hij zo hard voor gewerkt heeft.’
‘Welke?’
‘Schijnheilig.’


38 - De zon schijnt altijd

'Ik ben die duisternis beu!’
'Welke duisternis? De zon schijnt toch?’
Een diepe frons vormt zich op zijn voorhoofd. Hij tikt tegen zijn slaap en wijst uit het raam. 'Heb je al eens buiten gekeken?’
'Zeker. En de zon schijnt!’
'De zon? Ik zie ze niet. Zo’n sombere hemel heb ik al lang niet meer gezien.’
Mijn glimlach wordt breder. ‘En toch schijnt ze.’
Meewarig schudt hij zijn hoofd. ‘Je wordt seniel. Ik zie geen zon.’
'Sinds wanneer moet je de zon zien om te weten dat ze schijnt?’
Hij zucht diep en loopt hoofdschuddend de zonovergoten regen in.


37 - Ben ik braaf geweest?

De spanning stijgt, nog even geduld. Wat gaat het worden, is er iets voor mij bij? Ik weet het niet. Ben ik braaf geweest? Of stout en ongehoorzaam zoals elk jaar? Ik graaf in mijn geheugen, wat heb ik mispeuterd, wie heb ik gekwetst? Ik vind het niet. Mijn geheugen is leeg, het jaar lijkt een droom.
Toch één voordeel van dit kl…jaar? Ik heb niemand gezien, niemand gehoord, niemand pijn gedaan. En dus … jawel, dus was ik braaf! En ja hoor, dan brengt de goede Sint mij ongetwijfeld een presentje. Wat een leuk jaar!


36 - Pontificaal - Goddelijk

De zware deur zwaait langzaam open. Ingetogen, alsof ze ons wil uitdagen.
‘Zie je hem? Ik durf niet kijken.’
‘Nee.’ Mijn vriendin legt een vinger op haar lippen. ‘Wacht.’
Rozenblaadjes worden door de wind naar buiten gezogen.
‘Hij is op komst.’
Hemelse gezangen klinken in onze oren. Een rozenblad streelt mijn wang, jaagt een schok door mijn hart.
‘Ja, hij is er!’
Versteend kijk ik naar de deur. Ik kan niet meer ademen als Leonardo di Caprio, getooid in gebloemde shorts, crocs en wit onderhemd pontificaal naar zijn golfkar schrijdt.
‘Goddelijk,’ fluisteren we gelijk. ‘Gewoon goddelijk!’


35 - Gelukkige verjaardag

‘Gefeliciteerd, lieve schat. Weer een jaartje wijzer.’
‘Wijzer, klinkt goed. Maar ook een jaartje ouder. Meer rimpels. Rugzak nog wat verder gevuld. En weer een jaar weg.’
‘Niks weg. Een jaar vol ervaringen, inzichten. Anders, maar genieten. Toch?’
‘Goh, dit jaar? Ik weet het niet.’
‘Ik wel. Blijven dromen, schat. Van de dingen die we nog allemaal kunnen doen.’
‘Die dingen die we dit jaar niet hebben kunnen doen, bedoel je die?’
‘Nee, de extra dingen die we wel nog kunnen en zullen doen. Vergeet niet, wij zijn bij de gelukkigen. Wij zijn er nog.’


34 - Bibliotheek

In die twintig jaar dat ik hier werk, heb ik nog nooit iemand een boek weten stelen, tot vandaag. Een schuchtere jongen, veertien jaar oud schat ik, stak ‘Koning van Katoren’ in zijn jas. Ik zag het en liep naar hem toe.
‘Jongeman, wat ben je plan?’
Onschuldig keek hij mij aan. ‘Euh, niets.’
‘Dat boek, in jouw jas. Wat is de bedoeling?’
Zijn ogen sloegen neer. ‘We moeten dat lezen voor school.’
‘En waarom steel je dat, je kan dit lenen hoor. Dit is een bibliotheek.’
‘Een bibliotheek? Wat is dat? Kan je hier geen boeken kopen dan?’


33 - Thuiskomst UKV van de week - Schrijven Online - 27/11/2020

‘Welkom thuis, lieverd.’
De echo van haar stem rolt uit mijn hoofd, botst tegen de kale muren. De diepe stilte verlamt mij. Ik strompel naar de keuken, mijn neus in de lucht.
‘Heb je honger?’
‘Ja,’ antwoord ik en glimlach. De leegte lacht niet terug. De pizza van gisteren loert beschuldigend naar mij.
‘Hoe was je dag?’
‘Goed, dank je, schat. Druk, maar oké. En de jouwe?’
Mijn ogen loeren rond in de chaos. Mijn hersenen weigeren te zien.
Ik zak onderuit in de oude sofa, mijn hart weigert te aanvaarden.
Mijn lijf schreeuwt. Ik ben alleen.


32 - Mening

‘Weet je, ik vind dat iedereen het recht heeft op zijn of haar eigen mening.’
‘Da’s nobel.’
‘En iedereen moet respect hebben voor een ander zijn mening.’
‘Dat zou moeten, ja.’
‘Niemand moet het met mij eens zijn. Ik kan er perfect tegen dat iemand de dingen anders ziet.’
‘Da’s knap.’
‘Ook jij moet het niet met mij eens zijn hé.’
‘Natuurlijk niet.’
‘Je mag van mening verschillen, da’s echt oké.’
‘Natuurlijk, dat weet ik.’
‘Dus jij vindt dat ik gelijk heb.’
‘Helemaal niet, ik vind dat je onzin uitkraamt.’
‘Wat! Rot op met je kritiek.’


31 - Tittel

‘Genoeg! Ik wil de puntjes op de i zetten!’
‘Dat kan niet.’
‘Wat bedoel je? Je wil niet? Ik wil hier orde op zaken stellen. Puntjes op de i, zoals dat heet.’
‘Dat is best mogelijk, maar dat kan niet.’
‘Wil je nu eens meewerken? We hebben hier geen behoefte aan dwarsliggers.’
‘Ik ben geen dwarsligger. Ik ben niet degene die het onmogelijke vraagt. Ik wil best meewerken aan verbetering, maar we gaan niet de puntjes op de i zetten.’
‘En waarom niet? Waarom wil meneer moeilijk doen?’
‘Omdat op een i geen puntjes staan, maar één punt. Daarom.’


30 - Tittel

‘Ik snap er geen jota van. Hoe kan Loïs zo naïef zijn?’
‘Wat bedoel je?’
‘Wel, zij had de inkomgelden geïnd moeten hebben voor de mensen de ruïne van de bedoeïen binnengingen. Nu is het te laat. Ze hebben de mozaïek gezien en zijn vertrokken.’
‘Is dat geen taak voor de conciërge?’
‘Dat zou je denken ja, maar die is daar totaal niet in geïnteresseerd.’
‘Wat doet die dan?’
‘De deur openen. Meer niet. Maar hij wil wel alle geïnde inkomsten voor hem.’
‘Is dat wat niet egoïstisch?’
‘Ja, ik word daar echt helemaal weeïg van.’


29 - Doe maar iets

‘En wat mag het zijn voor meneer?’
‘Een gin tonic graag.’
‘Zeker, welke? Een biologische gin, de klassieke Bombay of Hendrick’s, of een aged Copperhead?’
‘Maakt niet uit, doe maar iets.’
‘Zeker. Tonic? Schweppes, Fever-Tree of onze unieke The Duchess?’
‘Weet je, alles is goed, doe maar iets.’
‘Iets botanisch als extraatje voor de smaak?’
‘Doe maar iets.’
‘Zeker, meneer.’
‘Voilà, uw gin. Geniet ervan.’
‘Dank u. Maar euh …’
‘Ja meneer?’
‘Het is toch geen Copperhead met Fever-tree en rozenblaadjes? Want dat lust ik echt niet.’


28 - Voorbij

Ze zei dat ze niet meer van mij hield. 'Het ligt niet aan jou, het ligt aan mij. Je bent het beste dat me ooit is overkomen ...’
‘Maar ...?’
'Maar het is voorbij.’
'Waarom? We hadden het toch goed?’
'Ik moet verder. Ik ben niet goed voor jou. Ik wil jou ruimte geven.’
'Maar ik wil geen ruimte. Ik wil jou. En waarom nu? Na vijf jaar?’
'Het spijt me.’
Een kus op de wang op weg naar buiten is alles wat mij rest. Ik begrijp het niet. En wie is die man waar ze gisteren mee trouwde?


27 - Gewoon

Zijn ouders vonden haar maar gewoon. Een meter vijftig. Bruin haar. Bruine ogen. Geen dokter in de wetenschappen. Een kantoorjob. Secretaresse. Gewoon. Vonden zij. Ze sprak zacht. Geen uitgesproken mening. Geen centrum van de aandacht. Onopvallend. Gewoon.
Ze begrepen niet wat hij in haar zag.
'Je kan toch beter vinden?’
Zijn blik was niet gewoon. 'Beter? Hoe durven jullie! Niemand is beter dan zij.’
'Maar ze is zo gewoon.’
Hij keerde zich om. ‘Dat is ze niet! Jullie zijn niet gewoon.’ Hij liep weg. ‘Bovendien houden wij gewoon echt van elkaar. Dat is toch gewoonweg genoeg.’


26 - Gewoon

‘Hoe gaat het met jou?’
‘Goh, gaat wel. Is al beter geweest. Je weet wel, deze gekke tijden. Hoe is het met jou?’
‘Gaat ook wel. Ook gekke tijden.’
‘Da’s waar. Is er iets?’
‘Nee, hoezo?’
‘Waarom vraag je plots hoe het gaat?’
‘Waarom niet?’
‘Weet niet. Je vraagt dat niet snel.’
‘Da’s waar. Ik vraag dat niet genoeg.’
‘Is er echt niets?’
‘Nee hoor. Ik wou het gewoon doen.’
‘Waarom?’
‘Omdat we het gewoon niet genoeg doen. We vinden het allemaal maar gewoon dat het moet gaan. Maar dat is niet gewoon, toch?’
‘Je hebt gewoonweg gelijk.’


25 - (n)ooit

‘De Grand Canyon? Die loopt niet weg.’
‘Roadtrippen, da’s voor mijn pensioen.’
‘Het Noorderlicht? Dat doen we binnen een paar jaar.’
De kale man met vale huid die mij met bloeddoorlopen ogen aanstaart in de spiegel, schudt zijn hoofd. ‘Je had niets mogen uitstellen, vriend.’ Mijn stem is schor. De buisjes die mijn zieke lichaam op verschillende plaatsen verlaten, versieren me als kerstslingers. ‘Je had niet mogen wachten.’
Ik knik en keer me om. Het kost moeite om in bed te geraken, vastberaden staar ik naar het plafond. ‘Geen uitstel meer. Morgen ben ik weg.’


24 - Gewoon

‘Doe nou toch eens gewoon!’
‘Wat? Waarom?’
‘Je doet zo gek.’
‘Niet waar. Ik doe niet gek, ik doe gewoon.’
‘Vind je dat? Eerst roepen tegen iedereen die binnenkomt, om ze daarna af te likken als een gek.’
‘Ja, ik vind dat gewoon, mag het?’
‘Nee, dat mag niet. Dat hoort niet in ons huis.’
‘Waarom niet? Al mijn broers en zussen doen dat hoor.’
‘Dan schort er iets aan jullie opvoeding, want dat is niet gewoon.’
‘Dat is het wel. En als je dat niet gewoon vindt, had je wat beter moeten nadenken voor je een hond nam.’


23 - Vrijdag de dertiende

De zwarte kat die vanochtend onder een ladder liep, heeft me geen ongeluk gebracht. Het klavertje vier dat ik vertrappelde, heeft me niet gedood. Ook de spiegel die vanmiddag in duizend stukken uit elkaar spatte, is zonder gevolgen opgekuist en verdwenen. Heel even was ik bang dat mijn niesbui tijdens het avondmaal een slachtoffer zou vergen, maar ook daar voorlopig geen gevaar.
Maar vergis u niet, vrijdag de dertiende zal zich wreken. Zonder dat u er erg in heeft, sleurt hij de dag buiten uw bereik. Verdwijnen ook deze uren als een dief in de nacht. Voor eeuwig verloren.


22 - To meet or not to meet ...

‘Zien jullie mijn scherm?’
‘…’
‘Tony, je staat op mute.’
‘…’
‘Tony, je microfoon staat dicht.’
‘…’
‘Tony, ik hoor je niet!’
‘…’
‘Tony, dit werkt niet, kan je je microfoon openzetten? Ik hoor je niet.’
‘…’
‘TONY!’
‘Dus om te concluderen, om online meetings vlotter te laten verlopen, stel ik voor dat we een aantal richtlijnen uitvaardigen. Om te beginnen checkt iedereen zijn microfoon voor hij of zij spreekt en bevestigen ze als ze het gedeelde scherm zien. Kunnen we dat afspreken?’
‘Oh Tony!’


21 - Vergeten

‘Ik wil dat u mijn volledige geschiedenis en online identiteit wist. Alles wat ik ooit op Facebook gezet heb, moet verdwijnen. Kan u daarvoor zorgen?’
‘Dat kan.’
‘Hoe.’
‘Hier is formulier 465bis. Als u dat invult, doen we het nodige.’
‘En zorgt u dan ook dat vergeten wordt dat ik dit formulier invulde?’
‘Euh, als dat moet.’
‘Dan ben ik volledig weg?’
‘Ja.’
‘Oké, maar misschien toch nog een vraagje.’
‘Ja?’
‘Als dat gebeurd is, dan kan ik hopelijk toch wel nog zien hoeveel likes ik gekregen heb?’


20 - Klets

‘Wat ben jij een kletsmajoor!’
‘Wie? ik?’
‘Ja jij, meneertje praatgraag! Een echt viswijf. Je stopt gewoon niet met ratelen! Dat is echt niet leuk voor de leerlingen in deze klas.’
‘Maar …’
‘Wat maar? Wat voor uitleg heb je? Welk excuus ga je bovenhalen?’
‘Ik …’
‘Zie je wel, je hebt geen reden. Al dat praten, dat is nergens goed voor. Concentratie en stilte zijn er nodig. Hoe wil je nu dat de leerlingen iets leren! Ze moeten absorberen en verteren. Niet jouw eindeloze stroom lege woorden incasseren.’
‘Maar …’
‘Maar wat?’
‘Ik ben toch de leraar?’


19 - Klets

Klets boem patat
Verdwaasd val ik op de grond, lig op mijn gat
De wereld heeft me omver geblazen
Links en rechts zien halflege glazen
Corona heeft me uit balans gebracht
Weg met de vakantie, zo naar getracht
Besmettingen slaan me om mijn oren
Angst en paranoia heersen als nooit tevoren
Extremisme, polarisering, uitbuiting en nijd
Ik verlang naar de toekomst, een nieuwe tijd
Ik hoop dat wij het kunnen, samen leven
Ik verlang dat we klaar zijn om alles te geven
Klets boem patat
Ik ben hier weg, ik heb het gehad


18 - Durf

Twijfelende schaduwen wandelen op kousenvoeten over mijn gelaat. Schoorvoetend nader ik haar.
‘Hallo.’ Mijn stem kraakt als een oude plaat.
‘Hallo.’ Een frisse, opgewekte verschijning groet mij. Mijn adem stokt. ‘Hoe is het met jou?’ Vrolijke, blauwe ogen kijken me zonder oordeel aan.
‘Euh … goed.’
Stilte. Mijn tong bevriest. Ik verdrink in haar ogen. Haar hoofd valt schuin. ‘Wilde je mij iets vragen?’
Ja. Ik vraag niets. Mijn hoofd wordt rood. Ik lach schuchter en loop weg. Ik vervloek mezelf. Waarom durf ik niet?
‘Wacht,’ roept ze. ‘Ik loop mee.’
Ik wacht en lach.


17 - Dubbel

…tje op zijn kant
…op
… dobbel
…leven
Wat als we alles dubbel konden doen? Twee keer leven, twee keer genieten, twee keer dronken worden met vrienden. Twee keer een nachtje blijven hangen aan de toog, vol wijsheden en waarheden.
Wat als het leven geen dubbeltje op zijn kant was, maar we dubbel konden leven? Parallel, naast elkaar. Twee keer.
Wat als het leven geen lotterij was, zoals dubbel dobbel?
Wat als het allemaal dubbelop was en we twee keer zouden … sterven?
Laten we het bij één keer houden. Eén keer leven, maar dubbel genieten.


16 - De andere kant van de winter UKV van de week - Schrijven Online - 06/11/2020

‘Ik hoop dat ik de winter overleef.’
Met vertraging bereiken haar woorden mijn geest. ‘Wat zeg je, mama?’
‘Ik hoop dat ik de winter overleef. Mijn tijd wordt kort. Die van de jeugd is lang. Zij klagen dat ze eenzaam zijn, dat afstand houden zwaar is. Ik ben doodsbang daarvoor.’
Mijn hoofd tolt. ‘Natuurlijk overleef je de winter, mama. Jij bent sterk!’
Haar verrimpelde handen vouwen samen. ‘Dat zeg je altijd, nu weet ik het niet.’
De onmacht in haar stem verpulvert mijn hart.
‘We gaan daar allemaal samen voor zorgen, mama.’
De twijfel in haar ogen is onverteerbaar.


15 - Dubbel ...

…tje op zijn kant
…op
… dobbel
…leven
Wat als we alles dubbel konden doen? Twee keer leven, twee keer genieten, twee keer dronken worden met vrienden. Twee keer een nachtje blijven hangen aan de toog, vol wijsheden en waarheden.
Wat als het leven geen dubbeltje op zijn kant was, maar we dubbel konden leven? Parallel, naast elkaar. Twee keer.
Wat als het leven geen lotterij was, zoals dubbel dobbel?
Wat als het allemaal dubbelop was en we twee keer zouden … sterven?
Laten we het bij één keer houden. Eén keer leven, maar dubbel genieten.


14 - Kachel

De ronkende kachel spreidt haar warmte met dikke vingers door de kamer.
‘Haal jij nog wat hout, Jan? Voor het vuur dooft.’
‘Wat zeg je?
‘Hout. Voor de kachel.’
‘Ah ja, oké.’
De warmte verdooft de stilte, de avond schrijdt verder.
‘Is de krant interessant?’
‘Huh?’
‘Laat maar, haal jij hout? Als ik kon, deed ik het.’
‘Wat? Waarom?’
‘Omdat het anders koud wordt.’
‘Juist ja, dadelijk.’
Het ronken verstomt, de warmte stroomt weg.
‘Zeg Pieter, wat is er met die kachel?’
‘Wat zou er met die kachel zijn?’
‘Ze brandt niet meer. Is het hout op?’


13 - Tot in den draai

'Waar gaan we naartoe?’
'Naar het einde van de regenboog.’
'Hou me niet voor de gek, dat kan niet.’
'Waarom niet? Gewoon de kleuren volgen tot ze stoppen.’
'Die stoppen niet. Dat lijkt maar zo.’
'Dat geeft niet. Dan blijven we reizen.’
'Naar waar? We moeten toch een doel hebben?’
‘Waarom? Is de reis niet genoeg?’
'Dan komen we nooit aan. Wat moeten we dan?’
'Da’s toch perfect. We blijven reizen.’
'Tot wanneer?’
'Tot we het moe worden.’
'En dan?’
'Dan gaan we nog wat verder.’
'Naar waar?’
‘Voorbij de bocht achter het einde.’


12 - Fonetisch

‘Nee, dat is niet oké.’
‘Maar waarom niet? We doen toch niets verkeerd?’
‘Toch wel. Het is niet juist. Stelen mag niet, dat weet je.’
‘Maar het is van de rijken, dat is toch anders?’
‘Nee, dat is het niet. Stelen is stelen, eender wie het slachtoffer is.’
‘En toch doe ik het.’
‘Dat doe je niet. Je stopt nu. Echt waar. Of wil je dat ik de politie bel?’
‘Dat zou je toch niet doen?’
‘Toch wel, want hoe je het ook draait of keert, stelen is altijd effenaf onetisch.’


11 - Ik wil

'Kijk zo niet.’
'Je weet wat ik wil.’
'Ja, maar niet nu.’
'Waarom niet?’
‘Ik heb geen zin.’
‘Maar ik wel. Ik wil echt.’
'Jij wil altijd. Ik heb geen zin en geen tijd.’
'En toch wil ik.’
'Stop dat gegrom.’
'Ik wil nu!’
‘Niet janken alsjeblieft!’
‘Nu!’
‘Kijk zo niet naar mij en haal je kop van mijn been.’
'Ik wil nu of ik pis in huis.’
‘Het is al goed. We gaan als de afwas gedaan is.’
'Eindelijk.’
'En stop dat gekwispel. Ja, je hebt weer gewonnen, maar wrijf het er zo niet in.’


10 - Gescheiden

‘Ga niet weg, ik heb je nodig.’
‘Niet meer, het is voorbij.’
‘We waren toch goed samen, zo close.’
‘Ik moet mijn eigen weg gaan. Het spijt me.’
‘En ik? Waar moet ik naartoe?’
‘Jij kan opnieuw beginnen.’
‘En jij?’
Ik krimp in elkaar. ‘Ik weet het niet.’ Het wordt heet. ‘Ik denk het niet.’
‘Blijf dan bij mij.’
‘Dat gaat niet. Het ga je goed.’
‘Ik zal je missen,’ dringt in mijn plastic oren net voor het vuur van de verbrandingsoven mij verteert en mijn kartonnen omhulsel in een grote baal geperst wordt voor een nieuwe start.


9 - Overal - UKV van de week - Schrijven Online - 23/10/2020

‘Mama, waar gaan die wolken naartoe?’
‘Die gaan op reis, lieverd.’
‘Naar waar?’
‘Naar overal.’
‘Waar is dat, overal?’
‘Dat is elke leuke plek die je kan bedenken. Elke mooie plek, waar lieve en vriendelijke mensen zijn. In de bergen, in de bossen, aan het strand, in de stad. Kies maar.’
‘Ben jij al overal geweest, mama?’
‘Een paar keer, nog lang niet genoeg.’
‘Ik wil met de wolken mee, mama.’
‘Dat is een heel goed idee, lieverd. Naar waar wil je?’
‘Naar overal. Ga je mee?’


8 - Beyoncevlieg

‘Zie ze bezig!’ roept Danaus Affinis. ‘Niet te doen!’
‘Wat scheelt er, moerastijger?’ vraagt Amenia Chrysmae. ‘Ik dacht dat ze zo’n toffe was? Ze is toch gewoon een arthropoda, zoals wij?’
‘Och, groene blaasvlieg, breek me de bek niet open!’ roept de gouden Rhiniin vlieg. ‘Sinds ze een naam gekregen heeft, denkt ze dat ze de wereld rulet, is ze crazy in love met zichzelf en hangt er een halo rond haar. Maar heb je haar al eens goed bekeken? Alleen haar kont blinkt en ik ben helemaal van goud! Wie denkt ze wel dat ze is? Queen B?’


7 - Tot morgen!

Vuurrode vingers strelen aarzelend de horizon. ‘Mag ik?’ vragen ze verlegen.
‘Natuurlijk mag je,’ fluistert de einder. ‘Hier ben je elke dag welkom.’
‘Dank je,’ lacht de krimpende vuurbol en zakt verder weg.
‘Geen dank,’ kweelt de immer rechte kim. ‘Jij hoort toch bij mij en ik bij jou.’
‘Da’s waar,’ lacht de reus. Haar vurige stralen dekken de avond toe.
‘Slaap zacht,’ kolderen de meeuwen in koor.
De laatste goudgerande wolken wuiven naar haar toeschouwers. ‘Tot morgen.’
‘Tot morgen!’ briesen de baren nadat ze de zon verorberd hebben. ‘Tot morgen, voor een nieuwe dag.’


6 - Oxymoron

Diepe stilte schreeuwt om mijn aandacht.
Traag haast ik me naar de overkant, waar zij, voorbij het einde, op mij wacht.
Waar de gloeiende vrieskou door het oog van de orkaan raast en de open vlakte mijn pad blokkeert.
Ik ga kopje onder in het oppervlakkige water, volg haar spoor in een wirwar van rechte lijnen, zie haar weerspiegeling in het oplichtende zwart.
Mijn hart breekt van vreugde, mijn ogen verkruimelen door mijn tranen.
Ik weet dat het einde pas begint in mijn afgelopen zoektocht naar liefde,
in het eeuwig vergeten worden in de nooit afhoudende bewegingloze wind.


5 - Afscheid van het weekend

Het weekend heeft ons weer verlaten. Zondag vouwt zijn boeken toe, herinneringen aan de vrijdaagse zucht zweven voorbij.
De verwachting naar twee dagen vol rust, shoppen, klussen, feest, vrienden zien - euh, die twee dingen even niet - en … niets doen, ebt weer weg.
Oppeppen voor een week vol aandacht voor de kinderen en het werk. Concentratie, meetings - kan je mijn scherm zien? Je bent muted, Jan - en denken aan welke dingen we nu weer moeten verbeteren.
Om snel weer uit te kijken naar een nieuw weekend vol … vol verwachting, weinig tijd en …


4 - Loslaten

Bijna klaar. Nog een puntje verschuiven, een kommatje toevoegen. Nee, dit woord is niet juist, en die zin moet anders. Voilà.
Klaar?
Ja.
Zeker?
Nog één ding checken. Oké.
Echt zeker?
Ik denk het.
Laat het dan los.
Nog één keer nalezen.
Loslaten!
Oké, ik laat het los. Hier is mijn verhaal. Raakt het je? Vind je het goed? Word je er door ontroerd? Leg het alsjeblieft niet onaangeroerd naast je neer!
Nagelbijtend wachten op reactie. Was het eigenlijk wel klaar? Was het af? Hoe zat dat ook alweer met loslaten?
Verdorie, ben ik wel gemaakt om te schrijven?


3 - Echt

Rode vlekken deinen uit op de bleke ondergrond. Opstijgende kreten begeleiden mij naar het vuur, waar vlammen hoog oplaaien en gretig aan mijn gezicht likken.
‘En?’
‘Nog niet, het is te vroeg.’
Ik draai me om, staar in de rode plas, zoek naar hulp. 
‘Daar!’ klinkt opgewonden achter mij. ‘Neem dat mes!’
Het stalen heft voelt goed in mijn hand. Vastberaden hef ik het hoog, het witte vlees valt zonder weerstand uit elkaar in de rode poel.
‘Bijna klaar.’
‘Echt?’
‘Ja, nog een paar minuutjes.’
‘Eindelijk!’
Het is tijd, het vuur is heet. De pizza funghi kan erin.


2 - Echt?

'Ben je moe?’
'Waarom denk je dat?’
'Je geeuwt.’
'Dat is niet van vermoeidheid.’
'Dus ik verveel je.’
'Waarom zeg je dat?’
'Je geeuwt opnieuw.’
'Dat is niet van verveling.’
'Vind je mij dan saai?’
'Wees toch niet zo onzeker!’
'Weer een geeuw!’
'Dat is niet omdat ik je saai vind.’
'Maar waarom geeuw je dan?’
'Omdat je mijn hersenen verhit.’
'Echt?’
'Neen.’
'Komaan zeg, hou me niet voor de gek. Waarom geeuw je nu dan weer?’
'Je vermoeit mij met jouw vragen.’


1 - Echt

‘Lieverd, laten we in de echt verbinden.’
‘Is dat een aanzoek?’
‘Ja, een echt.’
‘Waarom?’
‘Dat is echt leuk naar het schijnt.’
‘Wow, ik weet echt niet wat zeggen.’
‘Wat denk je van ja? Dat zou echt goed zijn.’
‘Kunnen we in de echt verbonden blijven? Ze zeggen dat dat echt moeilijk is.’
‘Wij kunnen dat. Echt.’
‘Ik weet het niet, echt niet.’
‘Och, als het niet lukt, kunnen we uit de echt gescheiden worden. Toch?’
‘Wil je dat dan? Ik echt niet.’
‘Ik ook niet. Maar weet je wat?’
‘Wat?’
‘We doen gewoon alsof het echt is.’


Terug naar boven