Ultra Korte Verhalen

Verhaaltjes van maximaal 99 woorden


225 - Gras

‘Ik ben echt blij met de komst van onze natuurlijke grasmaaiers morgen.’
‘Ja, dat is wat anders dan die stinkende en brommende machines die de hele dag rondjes draaien en voor je voeten rijden.’
‘Zeker, ik kan me al voorstellen hoe onze schaapjes genieten van hun vrijheid, hoe ze rondhuppelen en spelen.’
‘Ja, zalig hé. En jij ruimt hun hoopjes op, juist?’
‘Euh, wat? Dat ging jij toch doen.’
‘Ik, nee hoor, ik ben allergisch voor schapendrollen. Dat mag jij doen.’
‘Zeg, ik ben geen strontraper hé.’
‘Kan je die schapen nog afzeggen? Is onze robot al verkocht?’


224 - Afgeleid

De opkomende zon werpt een glinstering op het openzwaaiende raam, trekt de aandacht van de zeventienjarige jongen. Een vrouw van vooraan de dertig rekt haar naakte bovenlijf in de stralen van de goedkeurend toekijkende bol aan de opwarmende hemel.
‘Daar is ze weer,’ hijgt hij. Zijn mond valt open, Moeder Natuur jaagt een hormonentest door zijn opgroeiende lijf. ‘Test geslaagd, met grote onderscheiding,’ lacht Ze.
‘Jan?’
‘Huh?’
‘Als het niet teveel gevraagd is, wil je je aandacht dan aan de les schenken en ons aan het bord komen vertellen wat de afgeleide van deze functie is?’
‘Euh ah …’


223 - Dood

‘Kom hier smeerlap!’
‘Wat zeg je?’
‘Ik wring jouw nek om!’
‘How, rustig aan. Ik deed toch niks.’
‘Dood moet je, tot je laatste druppel vies groen vocht.’
‘Kalmeer nu eens, waar ben je mee bezig?’
‘Die zag je niet komen hé, sterf!’
‘Maar wat zeg je allemaal? En doe die oortjes nu eens uit. Tegen wie ben je toch bezig?’
‘Huh, wat? Wat zeg je?’
‘Ga je mij vermoorden?’
‘Huh?’
‘Jouw geratel? Dat was toch niet voor mij bedoeld?’
‘Natuurlijk niet. Waarom zou ik?’
‘Voor wie dan wel?’
‘Die buxusrupsen, wie anders? Die smerige groene mormels.’
‘Oef.’


222 - Afgeleid

Wat deed Jan nu? Echt, die kerel is gek. Wow, Tania ziet er goed uit met haar lange krullen. Gelukkig zijn de kappers weer open. Ah, die puppy van de buren is echt de Max.
‘Hey loser, kijk eens waar je rijdt!’ Echt, die fietsers denken dat ze overal mogen rijden.
‘Stop met dat getoeter joh, zie je niet dat ik bezig ben!’
Een luide klap sleurt mijn blik omhoog.

‘Wat deed u toen u deze jongen aanreed?’
Het gezicht van de agent vertoont geen begrip. Angstig kijk ik van mijn mobieltje naar het gewonde kind voor mijn auto.


221 - Ode aan de paardenbloem UKV van de week - Schrijven Online - 17/05/2021

Talloze wensen dwarrelen door de lucht als een zucht de vederlichte sterren verspreidt en eindeloze bermen stralen onder jouw heldergele deken.
Een indrukwekkende bol vol witte zaden, geboren uit gele stralen, wachtend op die zuchtende wind of voorbijrazende hond om bevrijd te worden, klaar voor de volgende stap in jouw vruchtbare leven. Loslatend van de moederstam, stervend in de verlangende grond om volgend jaar weer tot bloei te komen. Levende bermen schitteren onder jouw gele bloemenpracht.
Leven, dood en verrijzenis in een gouden cirkel.
Volgend jaar kom je terug, een vervulde wens gevangen in elk botergeel blad.


220 - Afgeleide rapen, sowieso - #WvdW-ketting

‘Sowieso kopen we krieken van die autarkische afhankelijken, als kinderen huilend om een zoen, maar we worden door niets van ons doel afgeleid!’
De allerkeurigste equilibristen komen schijnheilig dichterbij, versmeltend tot een monsterlijke tweekoppige chimaera terwijl Beyoncé vliegt onder een wolkeloze hemel en de puntjes zet op haar pontificale i’s. Zonder scrupules schrapen we de ontplofte kauwgombel van het tapijt, vreten kiemen van de rauwe rapen en zingen samen met de klungeltjes een fonetische cantate voor de toegesnelde steunverleners die de skeuomorfen een klets willen geven en echt gewoon dubbel zoveel geluk hebben als de joepies. Oké?


219 - Balen

‘Wat een rotdag! Eerst valt mijn auto stil. Lege tank. Dom. Dan doet mijn computer het niet meer. Klote updates. En dan valt mijn mobieltje zonder batterij net als ik take-away wil bestellen, echt balen.’
‘Ja … dat klinkt echt als een kutdag …’
‘Echt hé, hoe was jouw dag?’
‘Wel … euh … ik kom net van de oncoloog.’
‘Ah, euh, oei. Waarom? Is er iets? Wat zei ie?’
‘Hij zei … hij zei dat ik me binnen … binnen maximum drie maanden geen zorgen meer moet maken over stilvallende auto’s, lege batterijen of falende updates …’
‘Shit man …’
‘Ja … balen …’


218 - Spik en span

Klokslag vijf kom ik thuis, zoals elke dag. De voordeur staat open, jij bent er! Mijn mond is klaar om “Ik ben thuis!” in te zetten als de poetsvrouw uit het raam piept, een plumeau tussen haar tanden, een stofzuiger in de hand. Mijn mond klapt dicht.
‘Je moet iemand laten komen,’ herhaalde mijn zusje bij elk bezoek. ‘Jij poetst niet goed.’ Grommend gaf ik toe, wuif schaapachtig naar de vriendelijke dame.
'Het was nodig,’ lacht ze. ‘Maar ik krijg dat snel weer spik en span.’
Ons huisje is bijna gepoetst, dan ben je echt weg.


217 - Rapen

‘Kies! Bepaal jullie toekomst.’
Aarzelend kijken de wereldleiders naar hun God. ‘Wat is de keuze?’
‘Extreme macht en rijkdom voor jullie of een lang, vredevol, gelukkig en gezond leven voor alle mensen die op jullie rekenen. Lijkt me makkelijk …’
Onrustig gemurmel stijgt op, urenlange discussies brengen geen antwoord.
‘Oké, doe het anoniem, ga terug naar de aarde en zie wat de meerderheid koos.’
Zonder nadenken hakken ze hun wens in een stuk rots en verlaten de hemel. Hoofdschuddend bekijkt God hen na, pinkt een traan weg.
‘Eeuwige vrede en geluk lagen voor het rapen en dan kiezen ze dit …’


216 - Topjob

'Kom kom. Een stukje brood. Lekker!’
Opgetogen lacht het meisje als tientallen zeemeeuwen het oude brood kwetterend uit de lucht pikken. Deze ratten van de zee maken haar niet bang, de diepe basstem van een norse agent verplicht haar lange krullen tot een wilde dans, het brood vliegt rond.
'En wat denken we dat we doen?’
'Euh ... de meeuwen voeren?’
‘Juffrouw weet toch dat dit niet mag?’
'Nee ...’
‘Juffrouw zag het bord niet?’
'Bord?’
Zijn kaarsrechte wijsvinger wijst beschuldigend over zijn schouder.
‘Dat wit geschilderde bord?’
Haar glimlach groeit, twee meeuwen vliegen schaterend op.
'Goed gedaan Jonathan, topjob!’


215 - Rapen

‘Geloof me, als je weet waar te kijken, ligt geluk voor het rapen.’
‘Dat zeggen ze, het zit in de kleine dingen, verscholen achter elke hoek of kant. Het komt op je pad als je het niet verwacht.’
‘Juist.’
‘Maar ik zoek achter elke hoek en kant en zie slechts ellende en verdoken verdriet. Ik bezit enkel kleine dingen, maar dat warme gevoel dat ze mij horen te brengen, ontsnapt mij.’
‘Je mag de hoop niet verliezen.’
‘Dat weet ik, maar mijn pad is verlaten, mijn verwachtingen onbestaande, wordt het dan niet tijd dat geluk voor mijn voeten loopt?’


214 - Rapen

‘Loop verder, er valt geen nieuws te rapen!’
‘Maar …’
‘Is het nog niet erg genoeg dat we deze sukkelaar met een stuk in zijn rapen uit de goot moesten rapen? Wil je hem ook nog publiekelijk in zijn rapen schijten enkel om likes te rapen?’
‘Euh …’
‘Nee! Mijn rapen zijn gaar! Wees recht voor de raap of ik schiet je voor je raap.’
‘Sorry …’
‘Denk je dat iedereen het leven voor het oprapen heeft misschien? Deze man had geen stro om van de aarde te rapen, maar wil dat zeggen dat je hem moet behandelen als een bende foorapen?’


213 - Niemand

‘Wat schrijf je?’
‘Niets.’
‘Hoezo, waarom niet? Je leeft om te schrijven.’
‘Ja, maar ik schrijf niets meer.’
‘Waarom?’
‘Om niemand te beledigen. De mensen zijn zo lichtgeraakt tegenwoordig.’
‘Hmmm, schrijf dan over niemand.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Benoem niemand, zodat niemand zich beledigd voelt.’
‘Ik kan proberen, maar ik denk dat er altijd iemand zich aangesproken voelt.’
‘Doe het nou gewoon.’
‘Oké.’
‘Oh, wacht, ik krijg net een e-mail.’
‘Van wie?’
‘Nemo.’
‘Wie?’
‘Die van de Nautilus, Jules Verne, je weet wel.’
‘Oh die, wat schrijft hij?’
‘Dat hij liever niet heeft dat je over hem schrijft.’


212 - Rapen - #WvdW-ketting

Willen we de oxymorons steunen in hun strijd tegen het tweekoppige monster met de slangenstaart? Sowieso.
Zonder scrupules komen we dichterbij om de kiemende krieken te zien dansen
en autarkische equilibristen samen van het koord te zien vallen, waar hun in scherven liggende ego voor het oprapen ligt.
Allerkeurigste schijnheiligen duwen pontificale klungeltjes in de afgrond als Beyoncé wegvliegt onder een wolkeloze hemel en tapijtvreters samen een gewone cantate zingen.
Klets boem, de dubbele tittels zoenen echt en roepen joepie als de ontplofte kauwgombel op een fonetische oxymoron voorbijzweeft.
Oké, skeuomorfe UKV, nu is het aan ons.


211 - Wie laatst lacht ...

Verward schrik ik wakker, loer in donkere ogen onder een zwarte cape. Een opgeheven zeis zweeft over mij.
‘Wat! Laat me met rust. Je bent te vroeg!’
De zwarte schaduw fladdert weg, de zeis klapt luid tegen het raam, jaagt opluchting door mijn lijf. Lachend loop ik van de trap, mijn lach bevriest als het losse tapijt mijn voet opzij duwt en de eindeloze tuimeling mijn lichaam breekt. De volle maan begeleidt de schaduw van de zeis naar binnen. Een bulderende lach bereikt mijn van pijn schreeuwende lijf, als drie vreselijke woorden mijn huilende geest doven.
‘Wie laatst lacht …’


210 - Kijken

‘Hey idioot, hou je ogen eens op de baan!’
Ik roep naar de auto die mij net niet van de weg sneed. Hij hoort mij niet, de chauffeur ziet mij of mijn woeste bewegingen niet, zijn mobieltje is belangrijker dan die domme voetganger die zonodig op het voetpad moest gaan wandelen. Achterlijke ik, waar haal ik het toch dat je naar de weg moet kijken tijdens het rijden? Huiverend kijk ik de zwalpende auto na. Ik vervolg mijn pad, bevries als een luide klap en ijzingwekkende kreten mij omver werpen. Ik huil en wou dat ik verkeerd was.


209 - Ritme van de regen

Onhoorbaar tikt de regen op de goed geïsoleerde Velux. De kaars voor het raam is allang vervangen door milieuvriendelijke ledverlichting, werpt een heldere gloed in de duisternis. De buurvrouw groeide in alle richtingen, haar interesse in mij is ze volledig kwijt.
De regen valt bij stromen, netjes opgevangen in onze ruime regenwaterput, zodat we onze tuin kunnen voorzien van water tijdens de steeds warmer wordende zomers.
Wij waren zo gelukkig samen, de helwitte lichtstralen herinneren me daar pijnlijk aan, de maan doet een verdienstelijke poging ze te overtreffen, verliest die strijd.
Plitter pletter, ritme van de vooruitgang.


208 - Chimeara - #WvdW-ketting

‘Mag ik een zoen? Een echte?’
Woedend keek Beyoncé me aan, blies een dubbele kauwgombel, gaf me zonder scrupules een klets. ‘Je ziet ze gewoon vliegen zeker?’
Mijn kiemende liefde ontplofte, wanhopig loerde ik om me heen. De gekruiste koppen van de autarkische equilibristen staarden pontificaal elk een andere kant uit terwijl schijnheilige tapijtvreters vierkante stippen zetten op hun skeuomorfe tittels.
‘Allerkeurigst,’ gromde ik. ‘Blijf jij mij tenminste steunen, klungeltje?’
‘Sowieso, altijd! Bij het krieken van de dag zingen we samen een overwinningscantate onder een wolkeloze hemel.’
‘Joepie! Weer wat dichterbij!’
‘Maar je vergeet fonetisch weer!’
‘Nee hoor.’
‘Oké.’


207 - Chimeara

Twee paar ogen staren me uit verschillende richtingen aan, ze loeren rond mij, komen alsmaar dichterbij. Ze cirkelen rond mijn hoofd, dringen in mijn geest. Ze duwen me uit evenwicht, maar ik geef niet toe. Ik laat me niet doen door die verdomde demonen die denken dat ze het beter weten dan ik.
Geen Yin die me omhoog trekt, geen Yang die me naar beneden duwt. Ik blijf netjes in het midden. Of niet? Ik … loop, volg, struikel. Nee, laat me. Ik wil niet. Ik kijk op, in de alsmaar groter wordende ogen van … mezelf.


206 - Kus me

'Kus me.’
'Huh, wie roept daar?’
'Ik, hier beneden.’
Verbaasd volg ik het smaragdgroene water naar een bruine kikker die me uitdagend aankijkt. Een libelle raast schaterend voorbij.
'Ja, ik ben echt, geloof me. Kus me maar.’
Mijn mondhoeken krullen in afkeer. ‘Maar... jij bent een kikker!’
'Denk je dat ik dat niet weet? Kus me nu gewoon!’
Aarzelend buig ik, kom weer recht. ‘Maar ik ben geen prins.’
'Oh djeezes man. Geloof jij nog in sprookjes? Denk je dat ik een betoverde prinses ben misschien?’
'Euh, wat anders?’
'Een kikker met huidhonger! Of wat dacht je?’


205 - Chimeara

'Wat doe je?’
'Niets, moei je niet.’
‘How, zo lichtgeraakt. Wat scheelt er?’
‘Jij bent er.’
‘En? Jij toch ook?’
‘Daarom. Hier is geen plaats voor ons twee.’
‘Ach zo. En waarom ben ik degene die moet vertrekken?’
‘Ik was eerst.’
‘Wie zegt dat?’
‘Ik.’
‘En hoe weet jij dat?’
‘Ik ben hier sinds onze geboorte, van toen onze mama ons de borst gaf.’
‘Aha, je zegt het!’
‘Wat?’
‘_Onze_ mama, gaf _ons_ de borst. Dus was ik er ook. Dus moet ik blijven.’
‘Hmmm. Oké dan. Maar geef me wat ruimte, oké? Dit hoofd is al vol genoeg.’


204 - Chimeara

Schimmige hersenkronkels zoeken een weg door de nevelen van mijn geest.
'Ga weg, ik wil jullie niet!’
Ze lachen. 'Denk je echt dat je ons kwijtgeraakt?'
‘Ik wil rust!'
Hun ziek tweekoppig gegniffel trekt brandende sporen door mijn ziel.
‘Alsjeblieft!’
'Wij zijn één, deel van jou.'
'Kunnen we niet samenleven? Maar apart?'
'Een voorstel?'
‘Eén uur vrij spel als jullie de rest van de tijd verdwijnen.'
'Twee uur! Te nemen of te laten.'
'Twee uur, enkel ’s nacht.'
'Oké.'
Huiverend wacht ik op de nachtmerrie-gevulde slaap. Een kleine prijs voor een rustige dag? Of een onverslaanbaar meerkoppig monster?


203 - Filosoof

‘Waar denk je aan?’
‘Goh, ik weet het niet. Aan vroeger.’
‘Welk deel van vroeger? Het goede of het slechte?’
‘Waarom zou ik aan het slechte denken? Dat wil ik vergeten.’
‘Dat begrijp ik. Maar het slechte laat je weten hoe goed het goede is, niet?’
‘Jij moet filosoof worden.’
‘Ik weet het. Maar nu weet ik nog niet waar je echt aan denkt.’
‘Aan het goede natuurlijk. Ik hoop dat dat terugkomt.’
‘Dat doet het niet.’
‘Nu ben je negatief.’
‘Niet waar. Niets komt terug. Er komt alleen maar nieuw. Wat ook goed kan zijn.’
‘Een filosoof dus.’


202 - Dans

‘Laten we dansen!’
‘Ik vind mijn rode schoenen niet.’
‘Geeft niet, de blues zit in je ziel, je hebt geen schoenen nodig.’
‘Ik hoor geen muziek.’
‘Luister eens goed, die zit in je hoofd. Voel je het ritme? Voel je de beat? Ja, zo, goed, je voelt het. Die heupen, nog wat sneller, ja! Je hebt het. Dans, dans, tot morgenvroeg!’
‘Ja, ik voel het. Het is … het is zalig!’
‘Laten we samen vluchten, weg van deze … deze gekke wereld. Vluchten naar een plek waar we voor altijd de blues kunnen dansen. Ga je mee?’
‘Ik dans je achterna.’


201 - Nee!

‘Nee!’ fluister ik.
De roestbruine wals in het glas lacht verleidelijk naar mij.
‘Ik hoor je,’ roep je in mijn hoofd. ‘Jouw afwijzing lijkt oprecht, maar ik weet wat je verlangt. Ik ruik het, het is mij die je wilt.’
‘Nee!’ roep ik wanhopig.
Mijn hand reikt naar jou, trillend trek ik ze terug. Ik wil niet meer ontwaken met hout in mijn kop. Ik wil niet dagenlang waden door nevels, op zoek naar houvast. Ik wil niet …
‘Ik hoor je,’ roep je verleidelijk. ‘Ik zie je. Ik wil je.’
‘Nee.’
Ik sluit mijn ogen … neem een grote slok.


200 - De nacht

Verleidelijk strekt de nacht zijn nevelige vingers naar mij uit. Het duister lokt mij naar iets wat ik ooit als slaap bestempelde, ik hap niet toe. Ik sluit mijn ogen, de herinnering vervaagt. Slapen, weg zijn van de wereld. Een andere tijd.
Twee eindeloze seconden schreiden gevoelloos voorbij voor mijn kijkers weer opensperren en ik de van alle rust gespeende minuten hoorbaar voorbij zie slenteren.
Ik staar naar de barst in de muur, angstaanjagend verlicht door het manneke in de maan. Ik vervloek de snoodaard en wacht op de ochtend.
Faithless raast door mijn hoofd, Insomnia is mijn ritme.


199 - Hello

'Hello,’ zeg ik.
‘Hello, from the other side,’ antwoordt het vreemde wezen dat naar mij toeloopt.
'U kennen Adèle?’ Ik kijk om mij heen. Is Yoda hier? Waarom praat ik zo?
Het wezen schudt zijn hoofd. Of haar hoofd? Of het’s hoofd?
'Wij van andere zijde komen.’
'U Yoda kennen?’
Weer volgt hoofdgeschud. 'Wie Yoda zijn?’
Mijn beurt om mijn hoofd te schudden. 'Welke kant u van komen? Mars?’
Ogen worden groot, met opnieuw hoofdgeschud. Muts en mondkapje gaan af.
'Overkant van straat. Daarvoor van Syrië.’
Beschaamd knik ik naar de man. Ik zit duidelijk veel te lang binnen.


198 - De olifant - Deel 2

Het gezoem om mijn hoofd neemt toe. Ik sla in het rond, het dier blijft buiten bereik.
‘Niet doen, je maakt haar gek.’
Het gezoem groeit, ik sla, klauw, niets helpt. Ik druk mijn handen tegen mijn slapen, het wordt steeds erger. Ik sluit mijn ogen. Het gezoem overheerst, in mijn hoofd, in mijn oren, overal.
’Stil! alsjeblieft!’
Ik schreeuw, mijn stem wordt rauw. Nog even zwelt het gezoem aan, dan valt het stil. Ik adem diep in, schrik op van luid getrompetter. Angstig open ik mijn ogen, een grote, grijze olifant lacht naar mij, kwispelt vrolijk.
‘Nu tevreden?’


197 - Maar UKV van de week - Schrijven Online - 23/04/2021

Nee, het gaat niet goed. Ik probeer, maar …
Ik zucht diep en doe verder, maar …
Ik haal mijn schouders op, ik weet, het kan altijd erger, maar …
Ik voel me leeg, moe, op, richtingloos, ik kijk rond, zoek, vind, maar …
Ik wil wel, echt wel. Ik probeer, sleur me overeind, recht mijn hoofd, maar …
Ik lach, vertel grapjes, relativeer, en nog eens, en nog eens, maar …
Ja, ik weet het, ook dit gaat voorbij, alles wordt beter, maar …
Ik zal proberen, nog eens, beloofd, ik geef niet op, maar …
Nee, het gaat niet goed, toch probeer ik maar.


196 - Sowieso

‘Het is altijd hetzelfde met die jeugd van tegenwoordig.’
‘Wat zeg je?’
‘Wel ja, ze hebben nergens respect voor, ze kunnen niets, doen niets, hangen overal maar wat rond, altijd hetzelfde.’
‘Zo, en wat deed jij vandaag?’
‘Niets, dagje geluierd.’
‘Ah zo, wie zou dat gedacht hebben … En dat blikje daar op de grond. Van wie is dat?’
‘Ah, van mij, ruim ik later wel op.’
‘Zoals die afval daar in de kant? Ook van vandaag?’
‘Euh, van vorige week, maar dat komt goed.’
‘Ja ja, zo zo, wie zonder zonden is, werpe de eerste steen. Sowieso.’


195 - Sowieso - #WvdW-ketting

‘Vlieg!’ roept Beyoncé naar de allerkeurigste klungeltjes. ‘Vlucht!’ voor de schijnheilige equilibristen jullie cantate in de kiem smoren.’
‘Wij steunen jullie sowieso,’ juichen de kauwgombellenvretende tapijtridders.
‘Snel! We vluchten samen!’ brullen de tittels in koor. ‘Kan je de pek rieken? Ze komen dichterbij!’
De kletsmajoors schudden hun pontificale hoofd. ‘We willen echt gewoon een autarkisch bestaan, niet zo’n skeuomorf leven onder een wolkeloze hemel die ontploft zodra je een oprechte zoen wil geven.’
‘Maar jullie hebben geen scrupules! Jullie eerlijke leugens zijn dubbel erg. Dat is toch niet oké?’
‘Nee, maar we zijn wel vrij. Joepie!’


194 - Een ander

‘Stop!’
Ze negeert me, vlucht weg.
‘Nee! Niet doen. Blijf hier alsjeblieft, ik heb je nodig!’
Ze kijkt niet om, loopt verder.
‘Ik kijk niet meer naar een ander, ik beloof het. Ik … jij bent de enige voor mij. Voor nu en voor altijd.’
Ze vertraagt, kijkt over haar schouder.
‘Echt?’
‘Echt. Beloofd.’
Ze stopt.
‘Kom alsjeblieft terug, zonder jou heeft mijn leven geen zin.’
Ze keert om, loopt langzaam terug naar mijn hoofd, kruipt weer in mijn geest. Ik kan weer ademen, mijn inspiratie is terug. Op het nippertje. Nooit kijk ik nog naar een ander verhaal. Nooit.


193 - Positief

‘Ik ben positief!’
‘Wat zeg je?’
‘Dat ik positief ben!’
‘Oei …’
‘Niks oei. Ik ben positief en daar ben ik fier op.’
‘Euh …’
'Positief in mijn hoofd, mijn bloedgroep, mijn kijk op de wereld.’
‘Ah … dus niet …’
’Nee, geen corona, hiv of een andere vreselijke ziekte. Zonschijntaltijd-positief.’
‘Is … is dat moeilijk?’
‘Soms. Ook ik heb dagen dat het niet goed gaat. Zoals iedereen. Maar ik weiger om toe te geven. Als we dat doen, zijn we dood.’
‘Kan … kan je dat leren?’
‘Natuurlijk. Het is niet altijd makkelijk, maar als het lukt, is het heel besmettelijk.’
‘Oké.’


192 - Krieken

‘Wat heb jij mooie ronde krieken!’
‘Welke krieken? Moet je een klap hebben?’
‘Nee nee, sorry, maar … jouw krieken zijn echt de mooiste van iedereen.’
‘Dit houdt hier op, als je niet snel maakt dat je weg bent, bel ik de politie. Wie denk je wel dat jij bent?’
‘Euh, ik begrijp het niet, ik zeg toch enkel dat jouw krieken mooi zijn!’
‘Oprotten, rotvent!’

‘Sonja, wat gebeurt daar allemaal? Met wie maak je ruzie?’
‘Met een vent die met mij wil aanpappen, op de verkeerde manier.’
‘Stop met ruziemaken en verkoop die kersen nou gewoon.’


191 - De olifant

Plechtstatig walst de grijze olifant door de deur, de kamer valt stilt. Hij duwt de stijlen uit elkaar, wringt zich tussen de kast en dressoir en zet zich met hooghartige blik in de krakende sofa. Hij kijkt rond, zijn slurf zwaait vervaarlijk, zijn korte staart kwispelt.
‘Ik luister!’
Schuchter kijken de aanwezigen naar elkaar, zenuwachtige blikken vliegen rond.
‘Zeg het maar. Ik ben er nu toch. Gooi het op tafel. Wie heeft er problemen met wie?’
Zijn slurf deelt ruwe tikken uit.
‘Niemand?’
Het blijft stil.
‘Oké.’
Hij springt recht, duikt in de porseleinkast.
‘Nee!’
‘Te laat!’


190 - Het punt is...

Het punt is, dat telkens jij een punt wil maken, ik op het puntje van mijn stoel zit en jouw nakend hoogtepunt op het puntje van jouw tong blijft branden. Je zet er geen punt achter. Maar goed, als puntje bij paaltje komt, maken we daar geen punt van. Als jouw puntje ooit een punt wordt, kan je er ongetwijfeld een puntje aan zuigen.
Waarschijnlijk krijg je hier nu een punthoofd van, maar voor we het breekpunt bereiken, zetten we nog snel de puntjes op de i en zetten we er een punt achter.
Punt aan de lijn.

Puntenpakker?


189 - Krieken

Sterke rieken drijven diep in het mest, spreiden de rijke grondstoffen waaierend uit over het hunkerende land. Het is de hoogste tijd dat we voeding geven aan de uitgeputte bodem. De oogst van vorig jaar was goed, maar vroeg een grote inspanning van moeder aarde. Veel werd afgenomen, nu is het tijd om iets terug te doen. Tijd om ervoor te zorgen dat ook de oogst van dit jaar prachtige vruchten kan dragen.
Ik weet het, het is een nobel werk, maar je moet er iets voor over hebben, want je blijft nog lang naar kak rieken.


188 - Krieken - #WvdW-ketting

Bij het krieken van de dag lijkt er geen wolkje aan de skeuomorfe hemel, maar dat fatale moment kom dichterbij. Zonder de steun van Beyoncé en haar schijnheilige vliegen lukt het niet. Zelfs de allerkeurigste equilibristen willen stoppen, maar wij geven niet op. We kletsen samen, vreten tapijt, blazen bellen tot onze kauwgom ontploft.
Al is het nog niet voorbij, het was gewoon echt mooi. We zochten naar dubbele kiemen in de kant, aten zonder scrupules van de zoetste zoutjes, vergaten onze autarkische ambities. En we hielpen klungeltje puntjes op zijn pontificale tittels te zetten.
Oké? Joepie! Dikke zoen!


187 - Gisteren UKV van de week - Schrijven Online - 16/04/2021

Gisteren zag ik jou, je blauwe ogen lachten, zoals de eerste keer, ik werd verliefd als de eerste dag.
Gisteren hoorde ik jou, je lieve stem, je aanstekelijke lach. We praatten, urenlang. Over alles, over niets, over jou en over mij.
Gisteren kuste ik jou, je zachte mond, je ranke hals. We vreeën, urenlang, en dachten nergens aan.
Gisteren voelde ik jou, je zachte hand, je gladde benen. Je danste door de tuin, bezong het leven in al haar pracht.
Vandaag vergat mijn hoofd wat vroeger was, maar hopelijk zie ik je morgen weer, alsof het gisteren was.


186 - Vent!

‘Ik ben een vent, een echte vent.’
‘Meen je dat? Je lijkt meer op een kerel.’
‘Hey, dimmen hé, ik ben geen kerel. Heb je mij al eens goed bekeken?’
‘Ja, maar ik dacht echt dat je een kerel was.’
‘Zoek het even op, joh. Ik denk dat je een paar dingen grondig door elkaar haalt.’
‘Zeker?’
‘Heel zeker. Ik ben een vent. Maar jij lijkt echt wel een kapoen, niet?’
‘Dat zou best wel eens kunnen. Kukeleku.’
‘Zie je wel. En ik ben een vent. IA, IA.’


185 - Joepie

Woensdag, het hoogtepunt van mijn puberale week met de komst van alle nieuwtjes over mijn onbereikbare idolen. Wat deed Madonna nu weer? Is er nieuws over Queen? Ja, nieuw werk van U2 op komst. En dat achtergrondverhaal bij Private Dancer, uitermate opwindend …
… voor een jongen van veertien, verstoken van het nog onbekende internet. Op zoek naar zijn plaats in de wereld, naar richting in zijn leven. Volop ondersteund door de glanzende posters die de noodzaak om zijn kamer te behangen jaren uitstelde en zijn muur bedekte met ‘echte’ levenswijsheid.
De Joepie, een uniek baken in mijn lang vergane jeugd.


184 - Veel te snel ...

Onze ontmoeting kwam onverwacht. Als een dief in de nacht sloop je in mijn leven. Plots was je daar, ik kon je dromen, zag je groeien.
Ons samenkomen was … koel, maar intens, jij smolt mij hart. Ik streelde je, vormde je, maakte je heel, zoals jij mij heelde, zoals jij mij weer jong maakte. Jouw schoonheid puur en ongerept.
Ons samenzijn was kort, ik wilde je voor altijd bij mij, het onafwendbare afscheid kwam veel te snel. Ik zal je nooit vergeten, draag jouw eindeloze glimlach voor eeuwig in mijn hart.
Vaarwel, lieve sneeuwman, je was een echte vriend.


183 - Joepi

‘Mama?’
‘Ja?’
‘Er staat een jongen voor de deur die beweert dat hij my brother is.’
‘Wat zeg je?’
‘Hij speaks English en zegt dat hij mijn brother is.’
Een Siberische kilte duelleert met de ontwakende Spaanse furie in mijn Vlaamsche ziel. Zijn lachende ogen slaan de deur der twijfel ruw dicht. Stoïcijns kalm keer ik me om.
‘John?’
‘Ja.’
‘Kan jij come to the door?’
‘Waarom praat je zo raar?’
‘Ken jij deze boy?’
‘Euh?’
‘Hij claims dat hij is jouw son.’
Goudgele boter druipt van zijn hoofd op de grond.
'Did you pee naast de pot, John?’


182 - JoePI

‘Diameter maal straal, zeg ik je!’
‘Maar nee, dat is niet juist! Zo bereken je de omtrek van een cirkel toch niet.’
Joe’s ogen worden donker. Ik ken die blik, ik moet even zwijgen en afstand nemen, voor dit ontspoort. Hij is de kenner, hij weet alles, denkt hij. Maar nu niet. Nee, dit keer geef ik niet toe! Hij is fout!
‘Dat klopt niet, Joe. Kijk hier. De omtrek van een cirkel bereken je niet zo!’
‘En ik zeg je dat het diameter maar straal is!’
‘Nee! Dat is diameter maal pi, Joe. Pi en niets anders.’


181 - Joepie - #WvdW-ketting

de poepie! Oké! Weer gelukt! Of toch niet? Is de kiem van mijn pontificaal optimisme te vroeg geplant? Is mijn allerkeurigste UKV slechts een ontplofte kauwgombel en komt het wolkeloze einde gewoon echt dichterbij? Is het een schijnheilige, nee skeuomorfe hoop dat ik dit zonder scrupules kan blijven doen? Zonder steun van samen cantates zingende Béyoncevliegen die dubbel kletsende zoenen uitdelen en fonetische tittels op hun i zetten? Zijn die tapijtvretende uren waarin ik zoek naar een autarkisch UKV-bestaan een krampachtige verderzetting van het klungeltje dat ik eigenlijk ben en stort deze equilibrist zonder steun in de torenhoge diepte?


180 - Vrolijk Pasen

Het zand in mijn ogen is hardnekkig. Ik wrijf, de bizarre beelden blijven. Dit is niet echt, de hazen in mijn slaapkamer trippelen door mijn hoofd, door mijn dromen. Ik sluit mijn ogen, het getrippel loopt verder in mijn oren, verplaatst zich naar jouw kant van het bed. Een zoete geur dringt in mijn neus, ik open mijn ogen, net op tijd om vier lange oren door de deur naar buiten te zien huppelen. Ik draai naar jouw lege kant, een groot paasei met een dikke strik en een kaartje lacht naar mij.
‘Vrolijk pasen, lieve schat.’


179 - Zelfvertrouwen

‘Hey, hou je hoofd eens omhoog!’
Angstig loer ik naar mijn zelfvertrouwen. Zijn verwijtende blik snijdt door mijn lijf. Ik wil wel luisteren, maar …
‘Omhoog, zeg ik. Waar ben je bang voor?’
‘Euh, voor … alles?’
Mijn zelfvertrouwen schudt zijn hoofd, meewarig staart hij mij aan.
‘Waarom?’
‘Omdat … ik meestal niet weet wat ik moet doen.’
‘En denk je dat de rest van de wereld dat wel weet? Denk je dat zij niet gewoon doen alsof?’
‘Misschien … maar dat kan ik niet.’
‘Leer dat dan maar snel. Doe alsof en alles komt goed.
‘Denk je?’
‘Al vergeten wie ik ben?’


178 - Grim(m)

Doornen ter grootte van een duimpje beschermen het sneeuwwitte roosje. De kat sluipt dichterbij, de asse die de poes in stervorm bedekt, jaagt haar naar de kraaiende haan, die schuilt achter de hond.
Het meisje met de rode kap lacht om het schouwspel. ‘Dat moet Grietje horen. Niet Grumpy Hans, die vindt niets grappig.’
De wolf, die zeven geitjes opjaagt door de neerdwarrelende sneeuw, schrikt de strekkende ezel op. Het meisje vliegt recht, een reep scheurt uit haar jurkje, struikelend over haar lange haar vertrappelt ze het steeltje van een roos, valt en kust de kikker.
Varken … snuit … einde


177 - 009

Uitdagend loert de duif naar mij vanop de met klimop overgroeide paal.
‘Wie ben jij?’
‘James,’ kirt de duif. ‘James Duif 009.’
‘009? Wat betekent dat?’
De duif lacht. ‘Dat betekent dat ik het recht heb alles te bedekken met stront, zonder verplichting tot opruimen.’
‘Ah, 009, license to shit.’
‘Inderdaad.’
‘Hmm, interessant. Maar ben je dan eigenlijk niet gewoon een soort politicus?’
’Hoe durf je!’ Woedend vliegt het dier op, lost een dubbele lading stront op mijn hoofd. Ik ben geen politicus, want ik kom wél uit voor de stront die ik produceer!’


176 - Geven en nemen

Dat ogenblik dat we die unieke hap nemen uit het leven moeten we koesteren, voor eeuwig bewaren in onze verbonden geest die verder leeft in de dingen die we achterlaten.
Genieten moeten we, hoe onbetekenend het ook mag lijken, van elk moment dat we delen. Samen eten, samen drinken, toosten op wat goed is. Dat moeten we doen, tot de dag dat het eindigt. Tot het uur dat we onze ziel met eerbiedige vingers samenvouwen en overdragen aan zij die na ons komen.
Tot die dag moeten we alles geven. En een beetje nemen.


175 - Kiem - #WvdW-ketting

‘Opgepast, klungeltje! Zie je die schijnheilige Beyoncévlieg loeren? Al uren praat ze met die kauwgombellenblazende tapijtvreter over een plan om samen autarkisch te worden en zonder steun van de allerkeurigste equilibristen verder te gaan. Ze willen dubbele tittels op hun skeuomorfe i’s zetten, een wereld zonder scrupules komt gewoon dichterbij!’
‘Ik weet het. Er kiemt iets lelijks bij die cantates kwelende oxymorons en dat mogen we niet laten gebeuren. De hemel lijkt misschien wolkeloos, maar vergis je niet. Eén pontificale klets en die ontplofte nepzoen overheerst alles.’
‘Doe je mee? Want dit is effenaf onethisch.’
‘Ik doe mee!’
‘Oké.’


174 - Kiem

Diep verborgen onder dikke lagen vuil en afval beweegt iets. Nog onbestemd, onzichtbaar en onbestaand voor de buitenwereld.
Het zaadje van de laatste bloem op aarde, opgejaagd door intense droogte, vraatzuchtige roofdieren en alles verwoestende ziektes, houdt zich schuil. Geduldig wacht het tot het sterk genoeg is om de strijd aan te binden met de allesverslindende krachten die de ooit zo mooie en groene aarde overheersen. Het is zich bewust van haar missie, zonder ruimte om te falen.
Verscholen in het duister ligt de kiem van de heropstanding van schoonheid, klaar om tot bloei te komen, om te winnen.


173 - Kiem

Klokslag 8. De hand van de nieuwe gemeentewerker reikt naar de deur van de bestelwagen. Drie paar ogen kijken hem geschrokken aan. Stemmen vallen stil, doodstil. Een man op de achterbank gebaart naar de chauffeur. Doe iets, zegt de paniek in zijn ogen. Zelfs de reporter op de radio weet even niet wat zeggen.
‘Nog niet, Jan,’ zegt de chauffeur, vriendelijk docht beslist. ‘Niet doen. Op maandag starten we om kwart na acht.’
De hand lost de klink. ‘Ah … oh … sorry. Wist ik niet.’
De rust keert weer, de paniek is voorbij. De revolutie is in de kiem gesmoord.


172 - De Zon

Genadeloos ratelt de striemende regen op mijn hoofd. Mijn kap weegt zwaar. Waterdicht, zei de reclame. Toch niet in dit soort regen.
‘De zon schijnt,’ roept mijn compagnon vanonder zijn nog meer geperforeerde capuchon.
‘Wat zeg je?’
‘De zon schijnt.’
Mijn woedende blik brengt een brede grijns op zijn gezicht.
‘Hou me niet voor de gek.’ Ik duw hem opzij zodat ik zijn lachende smoel niet moet zien. ‘Zo ziet het er niet uit hoor.’
‘Wie zei er iets over zien?’ Hij trekt aan mijn jas, legt zijn hand op mijn borst. ‘Daar schijnt jouw zon.’


171 - Flashback

Bij elk woord dat ik schrijf, vliegt een visioen door mijn hoofd. Een plein dat ik bezocht. Een stad waar ik in ronddwaalde, de sfeer opsnoof, de mensen bestudeerde. Een koffie of wijntje dronk onder brede platanen tijdens één van die eindeloze zomeravonden.
Bij elke stap die ik zet, zie ik een verre straat waar ik ooit zocht naar een bezienswaardigheid.
Ik sluit mijn ogen, de flashbacks blijven komen. Ik denk aan de tijd dat … dat reizen nog kon, nog mocht.
Ik verlang om weer te vertrekken. Om verloren te lopen, te ontdekken.
Ik wil weer vrij zijn.


170 - Auditie

‘We luisteren,’ zegt de langharige zanger vanachter zijn donkere glazen. Ik schraap mijn keel, loer naar de indrukwekkende man. Een ster. In zijn wereld. Alle clichés bevestigd. Tattoo’s à volonté, een sigaret tussen zijn vingers, de rook stijgt krinkelend op voor het no smoking teken.
Ik beleef mijn droom, sla een do aan op mijn gitaar, schraap mijn keel nog eens en zet de eerste strofen in van The Boxer.
De man trekt lang aan zijn sigaret, loert naar me over zijn bril.
‘We zoeken nog een roadie om de gitaren te stemmen.’ Hij hoest. ‘Wat denk je?’


169 - Ooit

De zon die ondergaat over de oude, bladerloze bomen brandt beelden van eindeloze savannes in mijn hoofd. Het bronstige geroep van de neushoorns rolt over de stoffige ondergrond. Hongerig snuivende olifanten trappelen rond mijn tent. Ik loop naar een waterplas waar troepen antilopes gulzig drinken.
De hete lucht brandt in mijn longen. Giraffen jagen mij spelend weg.
Ik adem diep in, open mijn ogen. Voorbijrazende trucks over het vuile asfalt duwen mij opzij, de stinkende gracht slaat in mijn maag. Ooit vertrek ik. Naar waar ik vrij kan zijn, ver van de chaos van ons jachtig bestaan. Ooit …


168 - Autarkisch

Ik adem zelfstandig, denk enkel mijn eigen gedachten en ga overal mijn eigen weg. Ik kijk vooruit en zoek geen hulp.
Ik laat me door niemand beïnvloeden, geen mens zal zeggen wat ik moet doen. Ik ben mezelf en daarmee uit!
Ik heb niemand nodig, niemand kan mijn hart breken, geen man, vrouw of X kan mij pijn doen.
Ik loop door dit leven op het pad dat ik kies en niemand laat mij daarvan afwijken.
Ik doe wat IK wil, luister naar niemands mening. Ik ben autarkisch en zal dat altijd zijn.
Of hoe zien jullie dat?


167 - Autarkische Equilibrist - #WvdW-ketting

Het was een wolkeloze revolutie. Samen verlieten de klungeltjes moeder aarde en kwamen met de steun van de verenigde tapijtvreters steeds dichterbij een beyoncevliegloze en autarkische samenleving op een nieuwe planeet.
De echte uitdaging voor de schijnheilige equilibristen kwam echter toen ze na de landing de thuisbasis de OK gaven en de skeuomorfe grond onder hun voeten een pontificale zoen wilden geven.
De grond opende, de supersonische kauwgombel die hen vervoerde, ontplofte gewoon met onhoorbare dubbelluide klets. Ze verpulverden toen de schijnbaar allerkeurigste tittels zonder scrupules van hun binnenkant aten en hun puntjes achter de revolutie zetten. Einde.


166 - Autarkisch

Hier droomde ik al zolang van. Van niemand meer afhankelijk zijn. Geen maandelijkse rekeningen die schreeuwen om betaald te worden, geen deurwaarders als het een keertje niet lukt.
De tweedehands zonnepanelen op mijn dak voeden de reeks gerecycleerde autobatterijen die ik voor een appel en een ei kocht op het autokerkhof. Dat ze hun beste tijd lang achter zich hebben, vertelde de verkoper niet. Dat de zon in dit land meer niet dan wel schijnt, vergat ik. Nu deze vuurbol voor zes maanden vertrok op mijn onbewoond eiland in het hoge noorden, vervloek ik mijn bevriezende autarkische bevlieging.


165 - Het licht uit het noorden

Ontelbare sterren sieren de wolkenloze hemel als lady Aurora haar opwachting maakt. Ze opent met een sierlijke kniebuiging, gaat verder met een gewaagde wals. Ze daagt de sterren hoog boven haar uit om haar te volgen, de vurige hemellichamen kijken enkel stilzwijgend, maar zeer goedkeurend toe. Hun licht is ver verwijderd, dat van onze sierlijke dame komt van dichtbij, onafgebroken ‘gestreamd’ vanaf onze vurige levensader.
Ze danst en verleidt, lacht en plaagt. Het noorderlicht begeleidt ons in de duistere nacht, verlicht ons pad, toont ons de weg naar geluk en rust. Deze dame brandt voor eeuwig in ons hart.


164 - Trein

Langzaam zetten de reusachtige wielen van de trein zich in beweging. Het duurt even voor ze hun volmaakte cadans vinden en onstuitbaar denderen over de onbreekbare sporen. Ze stoppen nooit, elk station is een flits. Geen passagier mag aan boord, alsmaar sneller raast de omgeving voorbij.
Tot het spoor ophoudt en de trein niet kan stoppen. De lege wagons vliegen in de lucht, storten met een betekenisloze knal te pletter in de vallei des doods.
‘Waarom stopte ik nooit?’ huilt de machinist terwijl de lege wagons naast hem verpulveren. ‘Waarom moest ik altijd maar door?’
Niemand antwoordt.


163 - Goedemorgen

‘Goedemorgen.’ Vriendelijk knik ik naar de norse man.
‘Is er iets?’
‘Nee. Ik zei gewoon goedemorgen.’
‘Waarom?’
Zijn boze blik schokt mij. ‘Hoezo waarom? Wat is er mis met goedemorgen?’
‘Wat wilt u van mij?’
Mijn goede humeur krijgt een knauw. ‘Omdat ik vind dat bij een goede morgen een goedemorgen hoort.’
‘Het is geen goede morgen.’
‘Dat is wat u ervan maakt. Voor mij wel.’
‘Voor mij niet.’ Hij gromt en loopt verder. Ik schud mijn hoofd en zeg goedemorgen tegen de volgende voorbijganger. Ik geef deze goede morgen niet op voor het voor iedereen een goedemorgen is.


162 - Bagger

‘Meneer De Nul, ik zou graag bij u in de leer komen.’
‘Ah, en waarom, jongeman? Wat is jouw voeling met onze activiteiten?’
‘Ik wil leren hoe u uw werk doet en blijft leven?’
‘Dat is niet zo moeilijk, gewoon alle veiligheidsvoorzieningen volgen. Maar welk stuk van onze activiteiten wil je juist leren? We doen zoveel?’
‘Wel, blijkbaar is het bon ton in deze tijden om zoveel mogelijk bagger te spuien. Ik zou graag leren hoe u erin slaagt om tussen die bagger overeind te blijven.’
‘Ik denk dat je andere bagger bedoelt, jongeman.’


161 - Een nieuw begin

‘Vandaag is anders. Ik voel me zoveel beter. Het voelt als een nieuw begin.’
‘Hoezo? Wat heb je gedaan? Is er iets gebeurd?’
‘Gewoon. Ik heb de dingen helemaal anders gedaan. En dat voelt zo goed!’
‘Wat heb je anders gedaan? Je bent toch gewoon met de hond gaan wandelen? Zoals je elke ochtend doet sinds de lock-down?’
‘Ik ben gaan wandelen, ja. Maar totaal niet zoals gewoonlijk. Vandaag ben ik linksom gestart en heb ik de hele route omgekeerd gedaan. Dat voelde zooo anders!’


160 - Equilibrist

Ik probeer een goede vader te zijn. Bereikbaar. Met de juiste raad. Zonder te overdrijven. Een vriend, samen drinken. Maar niet altijd. Zonder me uitgesloten te voelen.
Ik tracht de perfecte partner te zijn. Begrijpend. Teder. Mijn deel doen. Vol twijfel of ik genoeg doe.
Ik wil een goede medewerker zijn. Altijd bereikbaar. Met visie. Hard werk. Collegiaal en ambitieus. Ben ik dat?
Ik hoop dat in een vriend ben. Grappig. Leuk om in de buurt te zijn. Betrouwbaar. Daar als ik er moet zijn. Is dat zo?
Het touw wiebelt. Ik probeer overeind te blijven.


159 - Scrupuleloze Equilibrist - #WvdW-ketting

Beyoncé vliegt erin, op links. Als een volleerde equilibrist danst ze op één been, geeft een pas naar MelB die een schijnheilige beweging maakt en een dubbele klets uitdeelt aan RobinW. De tapijtvreter draait rondjes, duwt GaryB zonder scrupules opzij, geeft een allerkeurigste pas aan Sporty klungeltje dat de bal gewoon pontificaal tussen de palen plaatst.
‘Goaaaaaal!’
‘Een beetje steun hier graag?’ roept de skeuomorfe keeper MarkO naar zijn aanvallende verdediging. ‘Dat kan Tate zelfs beter.’
MichelleW werpt een wolkeloze zoen. 'Echt?'
Coach Madonna’s ontplofte kauwgombel jaagt haar team dichterbij.
‘Dit doen we samen. Puntjes op de i, oké?’


158 - Equilibrist

Ik strek mijn armen, het touw buigt door. Het wiebelt, zoals het evenwicht in mijn leven. Mijn voet klemt om de dikke koord. Mijn tenen krullen van opwinding, van angst. Van wanhopig aanklampen aan de enige houvast dat mij scheidt van de abyss. Van het eeuwig falen.
Ik zie de overkant, het lijkt dichtbij. De traagheid waarmee ik de afstand overbrug, jaagt wanhoop naar ongekende hoogtes. Mijn leven vlucht, controle is zoek.
Stop! Ik adem diep, focus op de overkant. Ik tel tot drie en denk aan niets. Niets anders dan het touw en de reis. Ik stap en …


157 - Respijt

Razend gehijg jaagt me door de duistere nacht. Mijn hoofd schiet in het rond, onschuldige slachtoffers storten neer langs de kant van het verweerde pad. Wankelend zoek ik mij een weg tussen de bliksemende manestralen, ijskoude priemen splijten de barstende tegels. Mijn donderende hartslag slaat alle hindernissen omver, ik ben er bijna. De deur staat op een kier, mijn ziel glipt naar binnen, ik volg op de voet. De zeis slaat te pletter tegen het verweerde hout. Een bulderende vloek slaat een barst in de planken.
Ben ik op tijd? Of is het enkel respijt?


156 - Alles

Als alles elke dag op alles lijkt,
is alles dan gelijk aan alles?
Of is alles elke dag toch net iets minder alles?
En als alles alles is, wat is alles dan?
Is alles alles wat alle mensen kunnen zien? Of niet?
En als alles niet alles is, wat is dan anders aan alles?
Of haal ik alles door elkaar en is alles niet alles,
maar is alles gewoon net zoals alles alles?
Enfin, zoals ik wel vaker zeg, alles is inspiratie
en inspiratie is alles. Dus alles is alles.
Tot zover alles.


155 - Troost UKV van de week - Schrijven Online - 19/03/2021

Jouw verdriet rolt over de gedekte tafel, je tranen storten te pletter op het gepoetste bestek. Ik voel je pijn, wil je troosten, ik mag niet.
Ik wil je in mijn armen nemen, zeggen dat het oké is. Ik durf je niet aanraken.
De “maatregelen” laten het niet toe. De “maatregelen” drijven je weg.
Ik wil je knuffelen, fluisteren dat het goedkomt. Enkel mijn stem mag naar buiten. Enkel mijn woorden mogen trachten tot je door te dringen.
Ik ben doodsbang dat woorden falen.
Ik moet je troosten. In mijn armen, tegen mijn lijf. Echt.
Ik mag niet.


154 - Oorlog

De oorlog is voorbij. Niet in mijn hoofd.
Bommen strooien hun scherven in vallende bladeren. Huizen ontploffen in wilde tornado’s, stof klit in mijn haren, ik proef het op mijn tong. Sluipschutters schuilen achter de beukenrij. Ik stap over mijnen op het voetpad. Verminkte mensen omsingelen mij, hun bloed is mijn camouflage. Ik wil ze niet meer zien, ze sperren mijn ogen open, brullen onophoudelijk in mijn oren.
Het geluid van de dood begeleidt me op elke stap. Ik wil vluchten, naar een plek waar leven is. Ik vind ze niet.
De oorlog is voorbij. Niet voor mij.


153 - Ontkenning

‘Is het lekker?’
‘Huh, wat?’
‘Is de taart lekker?’
Lachende gezichten kijken me aan. Verbaasd kijk ik naar mijn vork, het stuk taart half in elkaar geduwd, de andere helft plakt tegen mijn mondkapje.
‘Heb ik … heb ik dat niet afgedaan?’
‘Nee. Slaap je?’
‘Euh nee. Ik …’
‘Je weet toch dat dit al de tweede keer is deze namiddag.’
‘Euh ja.’
‘Ben je er zo aan gehecht dat je het zelfs niet meer afzet om te eten?’
‘Nee! Ik ben het zo beu dat ik het bestaan wil negeren, ontkennen.’
‘Ontken rustig verder, het plakt wel in je mond.’


152 - Steun

Mag ik op jou steunen
Als het morgen wat minder gaat
Als ik de zon niet zie achter de wolken,
de mist mijn hoofd niet meer verlaat


Mag ik op jou leunen
Als pijn de maat aangeeft
Als ademen moeilijk wordt,
twijfel door alles weeft


Jij mag op mij steunen
Als je niet weet wat beginnen
Als antwoorden vluchten,
je niet meer kan beminnen


Jij mag op mij leunen
Wanneer het moeilijk gaat
Als dagen uitzichtloos zijn,
gevuld met pijn en haat


Laten we elkaar steunen
In moeilijke uren en dagen
Laten we op elkaar leunen
Zonder woorden, zonder vragen


151 - Steun

Mijn steun en toeverlaat in de strijd met de zwaartekracht. Mijn hoop in bange dagen als ik denk dat de grond te dichtbij komt. Mijn houvast in woelige wateren. Mijn eeuwige compagnon zonder wie ik het huis niet uitkan.
Ik weet dat het geen evidentie is, ik weet dat het soms veel gevraagd is, een zware last om te dragen, maar je kwijt je moedig van je taak. Zonder vragen, zonder zagen, zonder klagen. Altijd in stilte, gesteund door een skelet dat krachtig en onverwoestbaar is.
Mijn steun en toeverlaat in zware tijden. Mijn H-cup.


150 - Steun - #WvdW-ketting

Wat doet elk allerkeurigst wezen - inclusief klungeltjes, tapijtvreters en zelfs pontificale, schijnheilige en van alle scrupules gespeende oxymorons - op 8mrt2021?
Geen dubbele kletsen uitdelen, geen ontplofte kauwgombellen rondzwieren, geen fonetische cantates zingen onder een wolkeloze hemel.
Nee, gewoon, samen en dichter bij elkaar, eer en steun betuigen aan dat wonderbaarlijke wezen waarvan Beyoncé vliegensvlug bewees dat ze de wereld leiden. Die sinds het ontstaan van de mensheid de puntjes op de i zet. Een wezen dat nooit skeuomorf kan zijn, al zou ze het willen. Een wezen dat echt onmisbaar is. 
De Vrouw die altijd een dikke zoen verdient.
Oké!


149 - De Jeucht van tegenwoordich

Hed is schandaalig! De jeugt van tegenwoordich kan nied meer schreiven. Alles staad vol tijpvouten. In mein tijt was dad wel anders. De aude garde wert gedrilt om juist te schreiven, maar nu!
Hed is naar de zeep, lieve mensen. De werelt is om de filisteinen!.
En hoe moed dad als we noch een cheneratie verder zein? Wie zal hen noch leeren hoe een voltooit deelwoort eindigd? Ik hau mijn hard vast. Met twee beevende handen.
Maar wei hebben tog auto-correct, zeggen zei dan.
Ik ken dad nied, misschien moed ik hed ook eens probeeren.


148 - Broodje?

‘En wat mag het zijn voor meneer?’
‘Een brood graag.’
‘Zeker. Wit, grof, grijs, bruin, volkoren, desem, rogge, spelt, meergranen, glutenvrij of iets anders?’
‘Euh …’
‘Of iets speciaal, zoals Drentse Stoet, galletjes, sterrenbrood, hardbrood, oudewijvenkoek, polderbruin, Anijsbrood, ruitjesmik of klontjesmik? Of misschien Kavelbrood?’
‘Euh …’
‘Ik weet het. Dit is echt iets voor meneer. Onze Nonnenvotten.’
‘Euh … doe maar een wit.’
‘Zeker meneer, en hoe mag dat gesneden zijn? Vier, zes, veertien of de klassieke negen millimeter?’
‘Euh … kies maar.’
‘Zes dan. En hoe mag dat verpakt zijn?’
‘In … een zak?’
‘Zeker meneer, nog iets?’
‘Nee nee, dank u.’


147 - UKG

‘Auw.’
‘Gaat het?’
‘Ja, beetje pijn. Lukt wel.’
‘Rustig blijven. Puffen. Diep inademen.’
‘Ik weet het. Oei, dat was een harde. Die voelde ik.’
‘Voor wanneer is het uitgeteld?’
‘Vandaag.’
‘Dan zal het niet lang meer duren. Hoe dicht bij elkaar komen ze?’
‘Dicht. Om de paar minuten komt er weer wat inspiratie bij. Ik ben er bijna, denk ik.’
‘Tof. Proficiat alvast met weer een UltraKleineGeboorte. Heb je al een naam?’
‘Nog niet. Eerst de inhoud. De naam is onderdeel van het verhaal hé.’
‘Da’s waar. Enfin, ik moet ervandoor. Nog eens proficiat en doe zo verder.’


146- Allerkeurigst - #WvdW-ketting

‘Wat denk je Beyoncé? Vliegen we er gewoon samen in? Klaar om de ontplofte kauwgombel van die schijnheilige tapijtvreter bij elkaar te vegen? Bereid om dat allerkeurigst klungeltje te leren hoe hij het puntje op zijn pontificale j kan zetten? Ik zal je ook tonen hoe je zonder scrupules dichterbij een oxymoron kan geraken door dubbele ontastbare kletsen uit te delen. En ik leer je hoe een cantate te zingen onder een wolkeloze hemel. Deal?’
‘Oké. Maar alleen als jij bewijst dat die lippen van jou niet skeuomorf zijn.’
‘Kom hier dat ik je een echte zoen geef.’


145 - UltraKlein-gevaar

‘Scheelt er iets? Je schreef vandaag nog geen UKV.’
‘Ik durf niet.’
Sarah’s ogen boren in de mijne. ‘Hoezo? Wat scheelt er?’
‘Het lijkt of iedereen doodgaat of ziek wordt in een UKV. Ik zie overal afscheid en verdriet, Sarah. Ik ben bang dat er iemand sterft als ik een UKV schrijf.’
Ze voelt aan mijn voorhoofd. ‘Dat kan niet! Een UKV kan niemand doden.’
‘Hoe komt het dan dat iedereen daarover schrijft? Dat is geen toeval!’
Doodse stilte vult de ruimte.
‘Je gelooft me niet hé.’
Een luide bons versplintert mijn ziel.
‘Sarah?’
Er komt geen antwoord meer …


144 - Respijt

Razend gehijg jaagt me door de duistere nacht. Mijn hoofd schiet rond, slachtoffers storten neer langs de kant. Mijn donderende hartslag slaat alle hindernissen omver, ik ben er bijna. De deur staat op een kier, mijn ziel glipt naar binnen, ik volg op de voet. De zeis slaat te pletter tegen het verweerde hout.


143 - Zien

Schuifelende voetstappen rukken me uit mijn droom.
‘Jan?’
‘Ja.’
‘Waarom verliet je mij, Jan?’
‘Ik heb jou niet verlaten, jij wilde mij niet meer zien.’
Mijn trillende handen zoeken jouw gezicht. ‘Mijn ogen mochten jou niet meer zien.’ Een snik verpulvert de afstand. ‘Maar als ik mag, wil mijn hart je wel nog zien.’


142 - Hereniging

‘Ben je daar?’
IJskoude wolken stuwen mijn krachteloze woorden over het bevroren meer. Huilende stilte spietst het antwoord in mijn hart. Ik stap verder, het ijs kraakt onder mijn versleten voeten, mijn hoofd buigt in deemoed.
‘Het spijt me.’
Het onderkoelde oppervlak antwoordt, maakt gewillig ruimte voor mij. Klaar voor onze hereniging.
‘Ik kom.’


141 - Horizon

De ondergaande zon verblindt me op mijn weg door het weerbarstige duinenpad. Dubbele voetstappen sleuren de kracht uit mijn lijf als ik naar het water loop. Ik zoek jouw wegvloeiende voetstappen in het zand, volg ze richting horizon. Jouw ziel zweeft over het water, ik volg jou tot mijn ogen ondergaan. We zijn samen.


140 - Vandaag

‘Dans met mij. Tot morgenvroeg.’
De belofte in jouw donkere ogen verwarmt mijn ziel.
‘Ik kan niet.’
‘Vrij met mij, tot het licht weer dooft.’
Mijn weerstand davert. ‘Ik mag niet.’
‘Je leeft alleen vandaag. Morgen is een illusie.’
Ik streel jouw nek, kus jouw lippen, vergeet haar gezicht.
‘Ik leef vandaag. Met jou.’


139 - Top

Het pad naar boven is eindeloos. Zwarte vlekken dansen voor mijn ogen als ik hijgend de top bereik. Het is het waard, zeggen ze. Het uitzicht stelt teleur. Meer van hetzelfde, enkel van verder. Waarom moest ik de top ook alweer bereiken? De herinnering ontglipt mij. Liefst ging ik terug, de trap is verdwenen.


138 - Allerkeurigst - #WvdW-ketting

‘Wat denk je Beyoncé? Vliegen we er gewoon samen in? Klaar om de ontplofte kauwgombel van die schijnheilige tapijtvreter bij elkaar te vegen? Bereid om dat allerkeurigst klungeltje te leren hoe hij het puntje op zijn pontificale j kan zetten? Ik zal je ook tonen hoe je zonder scrupules dichterbij een oxymoron kan geraken door dubbele ontastbare kletsen uit te delen. En ik leer je hoe een cantate te zingen onder een wolkeloze hemel. Oké?’
‘Oké. Maar alleen als je mij bewijst dat die lippen van jou niet skeuomorf zijn.’
‘Kom hier dat ik je een echte zoen geef.’


137 - Mijn mening

‘Ik wil graag iets zeggen.’
‘Ga je hier jouw eenzijdige mening opleggen? Is dit jouw forum misschien?’
‘Euh nee, ik wil gewoon mijn visie geven.’
‘En ik ben het daar niet mee eens!’
‘Maar ik heb nog niets gezegd.’
‘Je bent het duidelijk niet met mij eens.’
‘Dat zeg ik niet, ik wil gewoon vertellen hoe ik het zie.’
‘Je beweert dus dat mijn mening niet de juiste is?’
‘Nee, ik zeg dat ik een andere mening heb.’
‘Waardoor je impliciet zegt dat ik lieg, toch?’
‘Nee, dat zeg ik niet ... Maar ... Laat maar. Zucht.’


136 - Privacy

‘Gedaan met werken?’
‘Ja, eindelijk.’
Lachend kruipt ze op mijn schoot. Warme, zoekende lippen verjagen de werkdag. De kussen worden heviger, de online meetingrush spoelt weg. Mute on, mute off. Ja, dat wil ik wel. Mute on, mute off, mute on ... Het vertrouwde Teams-beltoontje achter haar verstoort de gloed.
'Wat is dat?’
‘Niets. Negeren. Doe vooral verder.’
Opwinding groeit, kledingstukken verdwijnen.
‘Wie is dat?’ schrikt ze.
'Wat?’
'Answering call.’ Het lampje naast de camera brandt in mijn oog.
‘Huh? Damn auto-answer!’
Luid gelach begeleidt het dichtklappen van mijn laptop. Hoe moet ik dat morgen weer uitleggen?


135 - Allerkeurigst

Daar zit hij, allerkeurigst op de eerste rij. Meneer pastoor knikt naar hem. Zijn hoofd gaat omhoog als hij zingt naar de hemelen. Deemoedig buigt hij, bidt vol overtuiging voor het zieleheil en de redding van de mensheid. De gemeenschap toont eerbied, ontzag. Voor hem, het toonbeeld van vroomheid. Minzaam knikkend loopt hij naar buiten, slaat een praatje.
Hij neemt haar hand, begeleidt zijn verlegen, wereldvreemde dochter naar huis. Hij hangt zijn zondagse pak aan de haak en vraagt haar allerkeurigst naar zijn kamer te komen. Tot wie moet zij bidden voor redding?


134 - Ik

Wie ben ik? Man? Vrouw? X?
Maakt dat uit? Moet dat uitmaken? Ben ik vandaag een man, morgen een vrouw en overmorgen een beetje van alles en tegelijk niets? Is ook dat niet oké?
Ik ben toch wie ik ben? Ben ik te vangen in een geslacht? Een label? Een lettertje op mijn paspoort? Nee toch? Ik ben wie ik ben. Elke dag, elk uur, elke minuut, net dat beetje anders.
Ben ik blank of zwart, geel of rood? Nee toch. Onder mijn huid, in die plek midden in mijn borst, ben ik wie ik ben. Ben ik ik.


133 - Perspectief

‘We willen de bevolking perspectief bieden.’
‘Wat voor perspectief? Positieve vooruitzichten? Of iets anders?’
‘Dat hangt van je perspectief af.’
‘Dat begrijp ik niet.’
‘Wel, afhankelijk vanuit welk perspectief je naar de zaken kijkt, heb je een positief al dan niet negatief perspectief.’
‘Dus je perspectief bepaalt je perspectief?’
‘Juist.’
‘Wat bedoel je dan als je zegt dat je de mensen perspectief wil bieden?’
‘Dat we ze vooruitzicht willen bieden.’
‘Maar niet per definitie positief.’
‘Euh … nee.’
‘Dus er is eigenlijk geen perspectief op verbetering.’
‘Dat hangt …’
‘ van je perspectief af. Ik begrijp het. Laat maar. Zucht!’


132 - Honger UKV van de week - Schrijven Online - 05/03/2021

Het wachten wordt beloond. Eindelijk is de maan weer rond. Vrijheid loert in de stervende schaduwen. Ik hou mijn neus in de wind, ik ruik vers bloed. Het is tijd om naar buiten te komen, om die vreselijke mensenhuid af te werpen. Het is tijd om mezelf te zijn. Los van de beperkingen die mij bijna dertig dagen ketenden. Ik haal diep adem, mijn keel verlangt naar gehuil. Mijn tanden scherpen, worden langer. Het is bijna zover, ik voel het. Mijn bloed ruist en borrelt. Ik ben er klaar voor. Jullie ook?


131 - Mijn blauwe koor

Ik hoor ze weer, tientallen blauwe voetjes die trippelen op mijn lakens. Ik dacht dat ik droomde toen ze hun kerstcantate opvoerden. Mijn zicht was troebel van tranen toen ze vertrokken. Weer heft het blauwe mannetje met de rode muts zijn ministokje in de lucht. De verzamelde blauwe wezentjes halen diep adem. Een blauw vrouwtje lacht naar mij. ‘Speciaal voor haar,’ fluistert ze. Ik hou mijn adem in terwijl ze Happy Birthday inzetten. Ze zijn het niet vergeten! Opnieuw vullen tranen mijn ogen terwijl ik luister naar hun hemelse gezangen. Gelukkige verjaardag, lieve schat. Waar je ook bent.


130 - Oorzaak en gevolg

Alles is verbonden. En ik kan het bewijzen. Vanochtend at ik cornflakes, een uur later brak ik mijn been. Een duidelijke link. Vorige week ademde ik drie keer diep in, drie uur later zat er een vlieg in mijn oog. Oorzakelijk verband eerste graad. En het wordt erger. Vijfentwintig jaar geleden trouwde ik. De dag nadien stierf de Japanse zakenman Ryoei Saito. Wij hebben hem gedood. Maar het allerergste. Tweeënvijftig jaar geleden werd ik geboren. Gegarandeerd dat deze gebeurtenis leidt tot mijn dood. Oorzakelijk verband bewezen. I rest my case. Ik hou mijn hart vast voor de toekomst …

129 - Kauwgombel

‘Ik wil kleven.’
‘Wat zeg je?’
‘Ik wil aan iemand kleven. Zoals vroeger. Weet je nog? Toen we elkaar vastpakten en knuffelden. Dikke smakkerds gaven als we elkaar lang niet zagen. Een kusje op de wang als het kortgeleden was. Een lange omhelzing voor de beste vrienden. Dat wil ik terug. Aan elkaar kleven. Zoals een kauwgombel kleeft aan een andere kauwgombel. Niet meer loslaten. Begrijp je?’
‘Ik denk het. Maar dat komt terug.’
‘Wanneer?’
‘Ik weet het niet.’
‘Mag ik wel knuffelen als ik mezelf in een kauwgombel verstop?’
‘Probeer eens. Je zal in elk geval kleven.’


128 - Kauwgombel - #WvdW-ketting

Pontificaal kauwt Beyoncé op een stukje gom voor ze zonder scrupules aan de alarmbel trekt en op een bezemsteel wegvliegt onder een wolkeloze hemel. Huilend kijkt Klungeltje haar na terwijl hij tapijtvretende rondjes draait en een fonetische cantate ten gehore brengt.
‘Dit beeld is echt gewoon om te zoenen,’ roept de schijnheilige kletsmajoor.
‘Oké, jij geniet hier misschien van, maar ik vind het toch maar dubbel,’ kakelen de tittels. ‘De mensen beweren dat wij skeuomorf zijn, maar als wij niet samen de puntjes op de i zetten, lijken we meer op een ontplofte oxymoron dan een vierkante kauwgombel.’


127 - Kauwgombel

Een luide knal davert door het lokaal, de juf vliegt van haar stoel. Verdwaasd kijkt ze rond. Enkele kinderen duiken onder hun bank, de ruiten daveren een ogenblik.
‘Wat gebeurt er?’ Woedend kijkt ze naar mij, terwijl ze haar verwilderde haren uit haar gelaat strijkt.
‘Sorry …’ Met een brede grijns pluk ik de stukken kauwgom van mijn gezicht. Een nieuw wereldrecord, denk ik. Guinnessworldrecord-materiaal. Alleen was er geen gerechtsdeurwaarder om het te noteren. Zou de directrice het willen valideren? Wellicht niet. Spijtig. Ik blijf grijnzen terwijl ik naar haar kantoor loop. Het was toch echt wel een mooie.


126 - Denken

‘Ik denk dus ik besta,’ zei een grote filosoof ooit. Descartes was zijn naam, denk ik. Ik denk dat hij gelijk had. Al moet ik er voor opletten dat ik niet teveel denk. Dat is niet goed voor mij. Denk ik.
Ik probeer er altijd aan te denken dat ik niet teveel moet denken en meer moet bestaan, maar ik denk dat ik toch teveel denk en te weinig besta.
Maar hoe kan je meer bestaan en minder denken, en toch genoeg denken zodat je bestaat en niet enkel denkt? Een doordenker. Denk ik.


125 - Mijn grote broer

Hij loert over mijn schouder als ik mijn wachtwoord typ. Boos jaag ik hem weg. Geniepig luistert hij naar mijn gesprekken, negeert mij als ik zeg dat hij afstand moet houden. Hij denkt dat hij raad moet geven, stelt dingen voor waarvan ik zelf niet wist dat ik ze wilde, toont spullen waar ik stiekem van droom. Hij is overtuigd dat hij voor mij moet zorgen, dat hij overal moet zijn waar ik ben. Wellicht bedoelt hij het goed, maar ik wil hem niet altijd in mijn buurt. Ik wil rust.  Mijn grote broer ziet dat anders.


124 - Niets

‘Hoi.’
‘Hey.’
'Hoe is het?’
‘Goed, met jou?’
‘Ook goed. Iets nieuws?’
‘Niets bijzonder. Jij?’
‘Ook niet.’
‘Lekker weertje hé.’
‘Ja, ik hou van de zon.’
‘Ik ook. Ze zou meer moeten schijnen.’
‘Ze schijnt toch altijd.’
‘Als ze niet achter dikke wolken schuilgaat, dan zie je ze niet.’
‘Moet je ze zien om te weten dat ze er is? Zie je mij altijd?’
‘Nee.’
‘Maar ik ben er toch? Zonder dat je mij ziet?’
‘Da’s waar.’
‘Wat ga je nog doen vandaag?’
‘Niets, jij?’
‘Ook niets.’
‘Tot morgen?’
‘Tot morgen.’


123 - Dichterbij

‘Ik sta er dichtbij,’ zegt de journalist, terwijl hij ostentatief op zijn oortje duwt. Niet dat duwen iets uithaalt, maar het staat cool. Net als in de film.
‘Hoe dicht?’ klinkt in zijn oortje.
‘Twee meter.’
‘Dat is te ver, daar zien de mensen thuis niets van. Kan je dichterbij?’
De journalist kijkt bedenkelijk. Het grote gat jaagt kriebels door zijn lijf. ‘Ik zal proberen.’
‘Doe dat,’ gromt het oortje.
Hij stapt vooruit, een ijselijke kreet jaagt door de huiskamer als hij uit beeld verdwijnt.
‘Dat was te dicht erbij,’ titelde de blooper in het jaaroverzicht.


122 - Genoeg!

Het is godverdomme gedaan! Ik excuseer me niet meer voor wie ik ben of wat ik doe! Ik ben wie ik ben en als iemand daar een probleem mee heeft, kunnen ze mijn kl…n kussen. Ik verander voor niemand en heb niemands goedkeuring nodig!
Wat denkt iedereen wel? Een man mag zichzelf niet meer zijn in deze wereld. Hij moet gevoelig zijn, teder, begripvol. Wel, niet meer! Ik ben een koele kikker die met niemand rekening houdt en daarmee basta. Begrepen?
En ik zou het leuk vinden als jullie dit UKV’tje een likeje willen geven? Alsjeblieft? Please? Dankjewel!


121 - Dichterbij

Elke dag komt de voltooing van dit tragische meesterwerk dichterbij. Een uniek kleurenpallet van schoonheid en verdriet. Samenspel van inzichten en fouten, gestoeld op ervaringen en pijnlijke lessen. Deze ‘once in a lifetime’ combinatie van ontmoetingen, eeuwige liefdes en brutaal gebroken harten biedt eindeloze inspiratie. Gevuld met vriendschap en lijden, botsingen en knuffels. Onbegrip en woordeloos weten. Elke dag groeit deze piece de résistance. Elke seconde bouwt verder aan deze blinkende parel.
Ik stap achteruit, loer huiverend naar dit onafgewerkte kunstwerk. Ik huil en zie hoe elke ademtocht een bijkomende penseelstreep zet op het canvas van mijn leven.


120 - Dichterbij

Elke dag komt de voltooing van dit meesterwerk dichterbij. Een uniek kleurenpallet van schoonheid en verdriet. Samenspel van inzichten en fouten, gestoeld op ervaringen en pijnlijke lessen. Deze ‘once in a lifetime’ combinatie van ontmoetingen, eeuwige liefdes en brutaal gebroken harten biedt eindeloze inspiratie. Gevuld met vriendschap en lijden, botsingen en knuffels. Onbegrip en woordeloos weten. Elke dag groeit deze piece de résistance. Elke seconde bouwt verder aan deze schitterende parel.
Ik stap achteruit, knik goedkeurend naar dit onafgewerkte kunstwerk. Ik lach en zie hoe elke ademtocht een bijkomende penseelstreep zet op het unieke canvas van mijn leven.


119 - Dichterbij

‘Kom maar dichterbij,’ zei een vrouw net op de trein.
Ze schrikt. Haar ademhaling versnelt. ‘Heb je dat gedaan?’
Ik glimlach, beleef het opnieuw. ‘Ja.’
Ze grijpt mijn hand, knijpt er zacht in. ‘En? Hoe voelde het?’
‘Goed, echt goed. Morgen moet je mee.’
Ze laat mijn hand los, trilt over haar hele lijf. ‘Ik weet niet of ik er al klaar voor ben.’
‘Echt lieverd, je moet, het voelt zo fijn.’
‘Maar het is al zolang geleden dat ik dichtbij iemand buiten mijn bubbel was.’ Tranen storten op de grond. ’Ik weet niet of ik dat nog kan.’


118 - Dichterbij

Vage contouren van iemand die ooit iets betekende, dansen in het lichte glas. In vervlogen tijden was hij belangrijk, nu niet meer dan een verblekende schim.
De man in de spiegel kijkt me vragend aan. Ik denk dat ik hem ken, een vage herinnering aan de mens die ooit thuis was in dit lichaam, zweeft voorbij. Zijn rimpels fluisteren een verhaal, de woorden hebben geen betekenis meer.
Wie ben ik?
De fletse weerspiegeling toont geen toekomst voor het vervagend beeld. Slechts één ding tekent zich helder af. Het einde komt snel dichterbij.


114 - Dichterbij

Ik sluit mijn ogen, bang voor de pijn.
‘Een klein prikje,’ zegt de verpleegster. Ik hou mijn adem in. Relax, rolt door mijn hoofd. Als het dat maar is. Een klein prikje om een einde te maken aan die lange pijn. Die leegte, die eenzaamheid. Het gevecht tegen die vreselijke afstand die mij zo verteerde.
‘Hier komt ie.’
Mijn hart stopt als de naald mijn lichaam binnendringt. De vloeistof stroomt voelbaar door mijn aderen. Of beeld ik mij dat in? De bevrijding die ze brengt, raast door mijn lijf. Het einde van de lock-down komt eindelijk dichterbij.


117 - Echt? - #WvdW-ketting

‘Is dat dubbele klungeltje dat we samen bij elkaar gingen kletsen ter ere van die schijnheilige Byoncevlieg die daar weer zo pontificaal voorbijvliegt bijna klaar?’
‘We komen dichterbij, maar we zullen onze scrupules toch even opzij moeten zetten als we dit willen doen. Die skeuomorfe tapijtvreter wil constant de puntjes op zijn wolkeloze i’s zetten, dat is gewoon niet te doen.’
‘Oké, dan zingen we toch een dubbele cantate.’
‘Niet doen, dan ontploft hij!’
‘Niets wat een goede zoen niet kan verhelpen.’
‘En fonetisch?’
‘Dat weet je toch al intussen, niet?’
‘Maar dit keer vergat je oxymoron.’
‘Echt?’


116 - Valentijn

‘Je hebt toch niets gekocht hé?’
‘Natuurlijk niet, dat weet je. Wij doen toch niet mee aan die opgelegde feesten, product van commercie, waarbij je elkaar de liefde verklaart en met een bos rode rozen of gepersonaliseerde chocolaatjes zegt dat je elkaar nooit zal verlaten. Dezelfde boodschap die je zonder blikken of blozen ook aan je minnaressen geeft.’
‘Doe jij dat dan?’
‘Wat?’
‘Een boodschap aan je minnaressen geven.’
‘Nee, natuurlijk doe ik dat niet.’
‘Maar je hebt wel een minnares?’
‘Wat? Nee, natuurlijk niet.’
‘Hou je nog van mij?’
‘Is Valentijn nog niet voorbij?’


115 - Alsjeblieft

Jouw smekende ogen branden in mijn ziel. Het groeiende verlangen dringt onder mijn huid. Jouw mond opent lichtjes, je tong bevochtigt je lippen.
‘Nu niet, ik heb geen zin.’
Je geeft niet op, schuurt tegen mij aan. Jouw zachte huid verwarmt mij. Jouw ogen worden groter, jouw ademhaling achter mijn oor jaagt rillingen door mijn lijf. ‘Please?’ weerklinkt in jouw gehijg.
‘Straks, we hebben het al gedaan. Heb jij dan nooit genoeg?’
Je schudt je hoofd. Je antwoord is duidelijk. Je springt omhoog, je voorpoten ondersteunen je smekende kop.
‘Oké, het is al goed, ik trek mijn wandelschoenen aan.’


114 - In de war

‘Ik ben in de war.’
‘Waardoor?’
‘Is het nu twaalf nul twee of nul twee twaalf?’
‘Ik volg niet.’
‘Wel, wij zeggen altijd eerst de dag en dan de maand, juist?’
‘Euh, ja.’
‘Maar Amerikanen doen dat omgekeerd.’
‘Dat kan ja.’
‘Dus daar is het vandaag nul twee twaalf, juist?’
‘Dat kan. Waar wil je naartoe?’
‘Dat voor hen vandaag niet speciaal is, niet zoals voor ons.’
‘Euh, dat kan, en?’
‘Ik vind dat erg voor hen.’
‘Lief van je. Is alles goed met je?’
‘Nog een tasje koffie? Met iets sterk erbij?’
‘Heb je nog niet genoeg?’


113 - Genoeg!

‘Ik kan niet meer!’
Ik schrik. ’Wat kan je niet meer?’
‘Dit! Ik kan er niet meer tegen!’
‘Maar dit is wat jij doet. Je hebt toch geen keuze?’
‘Heb ik die niet?’
Twijfel raast. ‘Wat is er anders dan gisteren? Toen zag je het toch nog zitten?’
‘Mensen vervloeken mijn bestaan. Als ik in de buurt kom, worden ze boos, vernielen en plunderen ze in mijn naam. Dat is toch niet oké?’
‘Maar dat is toch niet in jouw naam?
‘Geloven zij dat?’ Het tikken groeit. ‘Geloof jij dat?’
Ik zucht. Wat doe je aan een depressieve avondklok?


112 - Moeder

Nederig stap ik op jouw kwetsbare aarde. Nietig ben ik, starend naar jouw majestueuze pieken. Ik beklim jouw opwarmende toppen, aanschouw jouw stervende gletsjers. Jouw diepe ravijnen, uitdijende woestijnen en snikkende oceanen vol wonderbaarlijk leven verdienen eeuwig ontzag. Het beerdiertje en de Kodiak vluchten naast me op het afbrokkelend pad, terwijl bonte vogels droeve liederen zingen in de toppen van de sequoia. Een krimpende plejade van kleurrijke dieren om me heen smeekt om tijd. Om begrip.
Jij bent onze moeder, ons leven, ons alles. Wij zijn niets. Niets anders dan hongerige roofdieren die onverzadigbaar vreten van jouw krimpend tapijt.


111 - Terug naar Milaan UKV van de week - Schrijven Online - 12/02/2021

‘Twee wijntjes graag.’
De dienster brengt ze, ik raak ze niet aan. Ik loer naar de Duomo die schittert in de ondergaande zon. Jij loopt over het grote plein naar mij. Je lacht, wuift. Zo blij mij te zien. De heldere zon strooit warme stralen over mijn lijf, mijn hart schreeuwt binnen een muur van ijs.
‘Nog iets, meneer?’
Ik schud nee en kijk over het plein. Weer loop je naar mij toe. Je wuift en lacht. Opnieuw ben je blij.
De waarheid ontploft als jouw beeld steeds meer vervaagt.
Nee, ik zie jou nog! Ik zie jou nog!


110 - Tapijt gevreten

'Klaar?’
‘Ik denk het.’
‘Goed. Eerste rondje rond de tafel.’
‘De wolkeloze maan werpt een pontificaal licht op de tittelende aarde.’
‘Dat kan beter.’
'Tittelend licht op een pontificale aarde?’
'Zucht! Volgende ronde.’
‘De skeuomorfe byoncévlieg zingt een cantate voor het van alle scrupules gespeende, schijnheilige klungeltje.’
‘Beter. Maar doe nog maar een rondje.’
‘Oké, iets gewoon nu.’
‘Ik luister.’
‘Als we samen kletsen, genieten we daar dubbel van. Zoveel dat ik jouw stijlvol ontplofte coronahaardos echt een zoen wil geven.’
‘Bijna. Nog een laatste rondje?’
‘Nee. Genoeg tapijt gevreten voor vandaag.’
‘Maar je vergat fonetisch weer!’
‘Denk je?’


109 - Tapijtvreter

‘Gek word ik van die vent.’
‘Hoe bedoel je? Ik heb geen last van hem.’
‘Dat geloof ik, jij ziet hem nooit.’
‘Klopt. Nochtans zou ik hem graag verwelkomen. Nu ik er over denk, eigenlijk vind ik dit niet leuk. Hij miskent mij. Nu zie ik het pas, hij geeft alleen jou aandacht. Dat is toch niet oké. Nu voel ik me echt slecht. Verdomme, waarom zit hij nooit op mij?’
‘Oh, maar je mag hem helemaal hebben hoor, bank. Ik ben die eindeloze rondjes draaiende tapijtvreter op mijn delicate wol al lang moe.’


108 - Logica

Het loert op mij, houdt me in het oog. Ik probeer het om de tuin te leiden, te verschalken, maar het is slim. Ik zoek de juiste woorden, dubbele betekenissen, verscholen boodschappen. Geraken ze erdoor? Halen ze het witte canvas van de UKV, zichtbaar voor iedereen? Of worden ze voortijdig ontdekt, verschalkt en vakkundig opgeborgen in de grafkelders van een ellenlange tijdslijn. 
Zijn mijn zinnen goed gewikt en gewogen? Kwaliteitsvol? Foutloos? Vrij van woorden die aanstoot kunnen geven of aanleiding kunnen zijn tot discussies die het alwetende, wikkende en beschikkende Facebook algoritme liever niet ziet?
De logica ontgaat mij.


107 - Het

‘Wat denk je? Laten we het doen!’
Haar ogen worden groot, haar ademhaling versnelt. ‘Ben je zeker?’
‘Ja.’ Ook ik adem sneller bij het idee dat we … ‘We kennen elkaar nu toch al even, niet?’
‘Ja …’
‘Je twijfelt? Wil je niet?’ Angst beklemt mijn hart. ‘Denk je dat ik het niet kan?’
‘Jawel, dat is het niet.’
‘Wat dan wel? Ik zal langzaamaan doen.’
‘Dat weet ik. Maar …’
‘Je hebt iemand anders?’
‘Nee, dat niet.’
‘Wat dan wel? Is het te snel?’
‘Nee.’
‘Ik begrijp het niet.’
‘Het is … ik heb het verkeerde stuk geoefend voor onze quatre-mains.’


106 - Kappper

‘Het einde van de duisternis is in zicht! Er is hoop.’
Mijn wenkbrauwen verkennen nieuwe hoogtes. Ontdekkingsreizigers bijna. Ik ben jaloers. ‘Wat bedoel je, het einde van de duisternis? Ik zie niets hoor.’
‘Heb je het niet gehoord dan?’
‘Wat gehoord?’
‘De kappers gaan weer open. De ultieme bron van vreugde voor de mensheid.’
‘Says who?’
‘Onze ministers, tiens. Wie anders?’
‘En wat weten ministers over de bron van vreugde voor de mensheid? Hun ivoren toren laat geen mensachtigen toe.’
‘Jij ziet ook alles altijd somber.’
‘Realistisch. Welke vreugde haalt een kaalkop bij een kapper?’
‘Hmmm, juist ja.’


105 - Samen

Elke ochtend schiet ik wakker op jouw kant. Ik poets mijn tanden met jouw borstel, droog me af met jouw handdoek, kam mijn haren met jouw kam.
Elke middag neem ik een stukje van jouw chocola, drink elke avond een tas van jouw thee. Ik val in slaap onder jouw dekentje terwijl ik kijk naar jouw favoriete film.
Ik voel jou, hoor jou, zie jou.
Je bent niet weg. Je bent slechts ... wat verder.
We zijn niet alleen, we zijn bij elkaar. We zijn … samen. Zoals we elkaar beloofden. Samen, voor altijd. Tot … en daar voorbij. Samen.


104 - Samen

‘Laten we het samen doen.’
‘Huh? Wat samen doen?’
‘Je weet wel. Dat ding.’
‘Ding?’
‘Ja, wat mannen en vrouwen zo graag samen doen als ze zich vervelen. Of mannen en mannen, vrouwen en vrouwen, x en x, maakt niet uit.’
‘Ben je zeker?’
‘Tuurlijk.’
‘En je vrouw vindt dat oké?’
‘Absoluut! Zij is de eerste om te zeggen dat ik meer dingen samen moet doen. Waarschijnlijk doet ze zelfs mee.’
‘Jij bent wel bijzonder open van geest.’
‘Huh?’
‘Wel, dat je seks met mij wil?’
‘Seks? Waar haal je dat? Viezerik! Ik bedoelde samen puzzelen hé.’


103 - Samen

Welkom op dit samenzijn. Door een samenloop van omstandigheden zal het einde van de samenwerking met de samenaankoopvereniging ‘samen sterk’ samenvallen met de zomer. De samen ingezamelde gelden worden door de nieuw samengestelde jury tussen de samenwerkende vennoten verdeeld volgens de samen opgestelde regels. Alle klachten worden samengebundeld in overeenstemming met de recent samengevatte afspraken. Op het einde van de samenkomst zullen we een samenzang inrichten om de samenhorigheid van onze samenleving te versterken. Wij hopen dat de samengekomen leden dit niet als een samenzwering zien, maar dat we samenblijven en samensmeden om samen intenser samen te leven. Amen


102 - Samen

‘Laten we samen een klungeltje maken.’
‘Wat! Jij hebt echt nul scrupules.’
‘En jij met je ontplofte haarbos, is dat wel oké misschien? Doe niet zo schijnheilig joh. Jij wil net zo graag aan mijn tittels zitten als ik die oxymorone byoncévlieg wil zoenen. Maar terwijl wij samen pontificaal een cantate zingen, en elkaar dubbele kletsen verkopen, brandt die skeuomorfe maan weer wolkeloos aan de hemel.’
‘Doe nou eens gewoon, man. Hoelang plan je dit nog vol te houden? Denk je echt dat dit nog door UKV-beugel kan?’
‘Euh, ja?’
‘Maar je bent wel fonetisch vergeten!’
‘Niet dus.’


101 - Tijd

'En waar denkt meneer dat hij naartoe gaat?’
'Een luchtje scheppen, agent.’
'En weet meneer hoe laat het is?’
'Euh nee.’
'En waarom niet?’
'Waarom wel? Ik geloof niet in het concept tijd. Dat is uitgevonden door dictatoriale regimes om de mensen onder de knoet te houden. Om hen te laten geloven dat ze die tijd verschuldigd zijn aan hun onderdrukkers. Tijd bestaat niet echt, het zit enkel in de hoofden van zij die het willen geloven. Deze wereld bestaat al langer zonder dan met tijd. Zonder tijd, geen tijdsdruk. Dat willen we toch allemaal?’
‘Loop maar door, meneer.’


100 - Go Mars

Misprijzend schampert de zon naar de blauwe bol. ‘Ook de homo sapiens hebben er een boeltje van gemaakt.’ Hij kijkt rond. ‘Een nieuwe reboot met een meteoriet? Of iemand een beter idee?’
‘Ik heb al wat gruis met een paar virusjes naar ginder gestuurd,’ roept Uranus. ‘Ik dacht dat een gemeenschappelijke vijand hen tot rede zou brengen. Niet dus.’
‘Ze hebben een grotere vijand nodig,’ fluistert Saturnus. ‘Eentje die hen echt bang maakt en verenigt. En opruimt als ook dat niet werkt.’
‘Consider it done!’ roept Mars. ‘Mijn mannetjes staan klaar.’
‘Go Mars go,’ grijnst de zon.


99 - Tik

Het tikken van de klok davert in mijn hoofd. Minutieuze raderen draaien eindeloos in elkaar. Nooit sneller, nooit trager. Ik wou dat ik kon verder spoelen naar een nieuwe tijd. Fast forward, vergeet deze kloteperiode. Niets aan te verliezen. Laat het snel voorbij zijn.
Of niet? Zijn we vergeten dat elke voorbije tik nooit meer terugkomt? De lucht die we inademden, voor altijd opgelost. De sneeuwvlokken die vielen, voor eeuwig gesmolten. Elke ontmoeting finaal gevlucht.
Willen we echt dat het sneller gaat? Of moeten we elke tik uitpuren tot op het bot? Tot nieuwe, vreugdevolle tikken minder pijnlijk daveren.


98 - Scrupules

‘Heeft u misschien nog wat scrupules voor mij?’
‘Sorry, volledig uitverkocht.’
‘Wanneer komen ze weer binnen?’
‘Geen idee. Alle beschikbare voorraden worden onmiddellijk opgekocht bij de fabrikant. We krijgen niets meer binnen.’
‘Wie koopt ze op?’
‘Diverse organisaties, wordt gefluisterd. Extremistische groeperingen, gefrustreerde jongeren, superrijke zakenlui, gerenommeerde politici.’ De verkoper grijnst. ‘Het kruim van onze beschaving.’
‘Maar waarom? Die gebruiken toch geen scrupules.’
‘Klopt. Ze worden dan ook onmiddellijk vernietigd.’
‘Huh? Hoezo?’
‘Ze zijn doodsbang dat iemand een portie door hun strot ramt en verplicht ze te gebruiken. Dat zou dodelijk zijn voor hen.’


97 - Avondklok

‘Boe.’
‘Huh? Wie is daar?’
‘Ik.’
‘Wie ben jij?’
‘De avondklok.’
‘Nee, laat me met rust! Waarom ben je hier? Ik wil jou niet!’
‘Waarom niet? Ik ben er toch om jou te beschermen?’
‘Beschermen? Jij zet mensen aan tot geweld. Jij zet de wereld op zijn kop!’
De wijzers draaien statig rond, het raderwerk komt tot leven. ‘Ben je zeker dat ik dat doe?’ Negen slagen bonzen door mijn ziel.
‘Waarom protesteren ze anders?’
‘Dat is een hele goede vraag.’ Raderen klikken. ‘Weet jij het?’ Het binnenwerk verschuift. Bang staar ik naar de roepende menigte. ‘Weten zij het?’


96 - Blijven vragen UKV van de week - Schrijven Online - 29/01/2021

'Hoe gaat het met jou?’
'Slecht. Ik mis haar vreselijk.’
'Oei …’
Angst weerspiegelt in zijn gezicht. De arme man heeft spijt dat hij de vraag stelde, weet niet hoe om te gaan met zichtbaar verdriet.
‘Het is oké. Blijf gewoon vragen hoe het gaat.'
Twijfel breidt uit, onzekerheid groeit. ‘Euh … oké ...'
'Nee, echt waar. Blijf het vragen. Het is oké. Ik zal nog lang antwoorden dat het slecht gaat. Tot de dag dat het beter gaat. Die komt. Dus blijf het vragen, alsjeblieft. Ook al duurt dat een eeuwigheid, jouw vraag zal het sneller niet meer slecht maken.’
'Oké.’


95 - Scrupules

‘Heeft u nog wat scrupules voor mij?’
‘Sorry, volledig uitverkocht.’
‘Wanneer komen ze weer binnen?’
‘Niet, vrees ik. Ze worden niet meer gemaakt wegens te beperkte vraag. Ik heb misschien nog ergens een tweedehands scrupule liggen, maar wees daar heel voorzichtig mee. Mensen doen ze niet zomaar weg. Grote schade is niet uit te sluiten bij onzorgvuldig gebruik.’
‘Heeft u een alternatief?’
‘U kan wat respect proberen? Daar heb ik nog enkele ongebruikte stuks van. Of gezond verstand? Dat werkt altijd en wordt intussen bijzonder schaars. Als u dat nu koopt, wordt dat snel veel waard. Een collector’s item.’


94 - Scrupules

Oké, nu ontplofte mijn geduld! Wat denkt die schijnheiligaard wel? Dat we alles gewoon slikken? Zonder grenzen, zonder respect voor enige regels van goed fatsoen? We hebben al wat vreselijke woorden gehad! Skeuomorf, tittel, cantate, pontificaal, oxymoron, byoncevlieg en ga maar door. Zelfs een onschuldig, schattig woord als klungeltje ontsnapte niet aan dat WvdW en deelde dubbel in de kletsen. Er zijn geen grenzen meer! Maar deze week slaat alles! Echt waar, Daan heeft nul, ik herhaal, nul scrupules als het op woordkeuze aankomt. Ik heb het hier al eerder gezegd, maar dit is effenaf onethisch.
Dikke zoen.


93 - Moe

Een diepe zucht schrikt mij op.
‘Is er iets?’
‘Ik ben moe.’
Ik knik. ‘Ik ook.’
‘Wat kunnen we eraan doen?’
Voor de ikweetniethoeveelstekeer gaan mijn schouders omhoog. ‘Volhouden, zoals iedereen. Ooit wordt het beter.’
‘Denk je?’
‘Jij niet?’
‘Het duurt toch echt wel lang. Ik ben vergeten hoelang we al elke dag in hetzelfde schuitje zitten.’
‘Ja, maar dat is voor iedereen hier hetzelfde. Wij zijn niet beter of slechter af dan de rest.’
‘Misschien niet. Maar waren er geen waterputten beloofd? Zodat we in deze droogte dagelijks geen vier uur moeten stappen voor een beetje drinkbaar water?’


92 - Gewoon

‘Je was altijd al speciaal,’ zei mama vaak.
Ik begrijp niet wat ze bedoelde. Ik ben toch gewoon? Ik kijk om me heen in mijn eenpersoonsflat. Wat is hier speciaal? Alles staat op zijn plaats, waar het hoort. Op hun vaste plek, op de juiste afstand van elkaar. Toch fijn zo.
Elke ochtend om acht kleed ik me aan, om twaalf eet ik warm. Om vijf uur boterhammen, om elf in mijn bed. Dat doet toch iedereen? Wat is daar zo speciaal aan?
Ik schuif mama’s foto recht een veeg een stofje weg.
‘Ik ben toch gewoon, mama?’


91 - In alle bescheidenheid ...

Vanuit een hoekje kijk ik toe hoe woorden vloeien uit mijn vingers. Zinnen vormen op het virtuele papier. Vanwaar komen zij? Die bestonden toch niet? Conversaties, relaties, interpretaties. Een plot tekent zich af. Wie heeft dat verzonnen? Wie zijn die mensen die tot leven komen voor mijn ogen? Vanwaar komen hun angsten, hun frustraties, hun verlangens? Waarom zijn ze wie ze zijn? Wie heeft hen gevormd? Wie heeft hen gekwetst?
Verbaasd staar ik naar het verhaal dat zich voor mijn ogen ontvouwt. Ik ben blij. Wat is het zalig een schrijver te zijn. Een schepper. In alle bescheidenheid.


90 - Loterij

Welkom in de loterij van het leven. Kies een nummer tussen 0 en 80. Voor de gelukkigen is er een bonusnummer tot 100 en één keer per maand is er een superbonus tot 110.
Opgelet, winst is niet gegarandeerd, spelen is op eigen risico. Misschien valt jouw nummer, misschien niet.
Klachten zijn op voorhand onontvankelijk. Inzet wordt niet teruggestort.
Hoe je de winst besteedt, is volledig jouw eigen verantwoordelijkheid. De loterij is niet aansprakelijk als jouw winst voortijdig is opgebruikt. Herkansing is onmogelijk.
Een finaal advies: geniet dagelijks van jouw winst, gebruik ze verstandig en spreid ze.
Veel geluk!


89 - Kindjes maken moeilijk?

‘Mama, is kindjes maken moeilijk?’
‘Euh nee. Waarom vraag je dat?’
‘Juf Tania vertelde dat vandaag. Ze zei dat jij en papa veel moeten kussen en  dat papa zijn zaadjes aan jou geeft. En dan groeit een kindje in jouw buik.’
‘Je hebt goed opgelet, schat.’
‘Willen jullie nog een kindje maken, mama?’
‘Zou je dat leuk vinden?’
‘Ja! Is dat moeilijk?’
‘Dat gaat niet altijd gemakkelijk. Maar als je genoeg oefent, lukt dat wel.’
‘Dat is dan heel lief van papa, hé mama.’
‘Wat is lief van papa?’
‘Dat hij elke week zo hard oefent met de poetsvrouw.’


88 - Klungeltje

'Echt waar Donald, wat ben je toch een klungeltje!’
'Dat ben ik niet! Ik ben de grootste klungel die deze wereld ooit gezien heeft! Niemand heeft ooit beter geklungeld dan ik. Geen president voor mij heeft klungelen verheven tot de status die ik er aan gegeven heb. Ik heb klungelen tot een kunst gemaakt. Ik zal herinnerd worden als de ultieme klungelaar. Ik en niemand anders! Laat het dus heel duidelijk zijn. Iedereen die iets anders beweert, is een fake klungelaar. Ik ben geen klungeltje, ik ben de opper klungel.’


87 - Klungeltje

‘Vertel eens. Hoe was jouw leven?’
Gelaten staar ik naar de grijze man. ‘Ik was een klungel.’
‘Hoezo?’
‘Ik had geen cent, kon geen job houden. Elke vrouw verliet mij, mijn kinderen liepen van mij weg.’
‘Waarom?’
Ik haal mijn schouders op. ‘Ik weet dat ik niet knap ben, maar werkte hard en deed alles voor hen. Blijkbaar niet genoeg.’
‘Heb je hen ooit pijn gedaan?’
‘Nee!’ Tranen plenzen. ‘Dat zou ik nooit doen, ik wilde enkel dat ze van mij hielden.’
Uitnodigend wijst Sint-Pieter naar een lange tafel. ‘Neem plaats, klungeltje. Naast mij, aan de eretafel.’


86 - Klungeltje

'Mama, mag klungeltje komen spelen?'
‘Wie?'
'Klungeltje. Die nieuwe jongen in de straat.’
'Het is niet mooi dat je hem zo noemt.'
‘Maar iedereen doet dat.'
'Waarom?'
Pietje haalt zijn schouders op. Ik kijk boos naar hem als een jongen met krukken wankelend toekomt.
'Dag jongen.’
‘Dag mevrouw.'
‘Hoe heet jij?’
‘Klungeltje, mevrouw.’
Ik slik en probeer kalm te blijven. ‘Nee, jongen. Jouw echte naam.’
‘Dat is mijn echte naam. Mama vond papa een grote klungel.’ Hij grijnst schaapachtig. ‘Ze wilde dat zijn zoon klungeltje heette.’
Ik staar naar zijn krukken.
‘Oh dat? Ongeval bij het voetballen. Dom hé.’


85 - Altijd iets

‘Je kijkt zo boos jongen?’
'Echt waar, mama. Het is altijd iets!’
Haar gerimpelde vingers strelen mijn handen. ‘Wat scheelt er?’
'Och, mijn baas weet niet wat hij wil. Ellen wil meer reizen, de tweeling wil niet slapen. En ik moet alsmaar meer werken.’
Ze knijpt in mijn hand. ‘Is dat alles?’
'Nee. Ik ben de files en dat kloteweer hier beu en de politiek in dit land trekt ook op niets!’
Ze glimlacht, streelt mijn wang. 'Het is inderdaad altijd iets, jongen.’ Ze drukt een kus op mijn voorhoofd. 'Maar als er niets meer is, zijn we dood.’


84 - Belofte

De dichtvallende poort trekt krassen door zijn ziel. Hij ademt diep in. Na twee jaar is de lucht hier veranderd. Hij knippert hevig als een vrouw naar hem toeloopt in het felle licht van de straatlantarens.
‘Dag Laura.’
‘Hey schat. Ben je niet blij mij te zien?’
'Ik had je niet verwacht …’ Zijn hart schreeuwt. ‘Waarom ben je hier?’
‘Ik had toch beloofd je op te halen als je vrijkwam.’
Hij ontwijkt haar kus, stapt achteruit. ‘Was dat toen je beloofde mij elke week te bezoeken?’ Hij kijkt naar haar bolle buik. ‘En mij trouw te blijven?’


83 - Alles went ... of niet?

Schrikbarende beelden op TV. Mensen schudden handen.
‘Wat!’
Een massa bij elkaar.
‘Nee!’
Mannen en vrouwen raken elkaar aan. Zonder afstand.
‘Doe dat nu toch niet!’
Schouderklopjes, knuffels.
‘Waar zijn die mee bezig! Dit kan niet meer!’
Een banner doorkruist het beeld. ‘Deze opnames werden gemaakt voor de huidige coronamaatregelen’.
Een zucht van opluchting ontsnapt. Heel even.
Het besef hoe vreselijk mijn opluchting is, explodeert. Mijn verlangen om elkaar weer aan te kunnen raken, beneemt mijn adem. Ik wil het niet fout vinden dat mensen knuffelen. Ik wil niet huiveren door intimiteit. Ik moet terug naar hoe het was.


82 - Overdosis UKV van de week - Schrijven Online - 15/01/2021

‘De druk in zijn hoofd stijgt te snel! Roep de hulpdiensten!’
‘Zijn ogen springen eruit!’
‘Snel, open zijn mond!’
‘Wat heeft hij?’
‘Inspiratieoverdosis.'
'Wat?'
'Teveel verhalen die rondspoken in zijn hoofd. Bijzonder gevaarlijk.'
‘Wat nu?’
Loeiende sirenes van het literaire urgentieteam jagen de spanningzoekers uiteen.
'Maak plaats, wij lossen dit op.'
Gehaast prikt de spoedbibliothecaris een dikke pen achter zijn linkeroor. Ratelend en vertellend stuiven tientallen UKV’s uiteen in alle literaire richtingen.
‘Net op tijd. Hij heeft weer ruimte in zijn hoofd. Maar let op, dit is slechts tijdelijk. Deze schrijfverslaving moet behandeld worden of het loopt ooit fout.’


81 - Wolkeloos

‘Mama, wil je nog eens vertellen hoe de hemel eruitziet?’
‘Natuurlijk lieverd. De lucht is diepblauw, met een helderrode vuurbol aan de einder en enkele wolken.’
‘Wat is blauw?’
‘Dat is dat zachte gevoel van schone lakens op je huid.’
‘Daar word ik rustig van.’
‘Ja.’
‘En rood?’
‘Dat is de kleur van opwinding.’
‘Zoals mijn hart bonst en hitte naar mijn hoofd stijgt als ik boos ben.’
‘Ja, lieverd.’
‘En welke kleur hebben wolken?’
‘Die zijn zilverwit. De kleur van rust, van evenwicht en blijdschap. Zie je het?’
‘Ik begrijp het.’
‘Hoe voel je je, schat?’
‘Wolkeloos, mama …’


80 - Zoem Zoem

‘Ik kom de puntjes op de i zetten!’
Pontificaal landt de dikke vlieg met het gouden gat naast de koeienvlaai.
Mierzoete verwijten van de fruitvliegen weerklinken zuur. ‘Wat een zeemzoeterige aanstelster! Schijnheilige appelflap!’
Bromvliegen brommen brommend mee. ‘Wie heeft jou ineens oppervlieg gemaakt?’
‘Ik hoor jullie! Doe gewoon wat ik vraag, meer niet.’
Smakkende strontvliegen zuchten en staren naar de wolkeloze hemel. ‘Stinkende, ontplofte skeuomorf! Je krijgt zo echt een dubbele klets op je kont.’
‘Kom maar af.’
‘Ik wil haar zoenen,’ roept de eendagsvlieg. ‘En een cantate voor haar zoemen. Mijn hoogtepunt vandaag.’
‘Oké,’ zoemt Beyoncé wellustig. ‘Zoem!’


79 - Wolkeloos

‘Mama, waarom is de hemel werkeloos?’
‘Wat zeg je, jongen? Wie is er werkeloos?’
‘De hemel.’
Zijn kleine vingers wijzen trillend naar boven. ‘Daar, kijk maar.’
‘Wat bedoel je?’
‘Onze juf vertelde dat iemand die geen werk heeft, werkeloos is.’
‘Dat is juist voor mensen, maar de hemel moet niet werken hoor.’
‘Hij moet toch regen geven? Zodat de plantjes kunnen groeien.’
‘Ja, maar dat kan de hemel toch?’
‘Hoe dan? Er zijn geen wolken?’
Ik glimlach en woel door zijn wilde krullen. ‘Dat is oké lieverd. De hemel is niet werkeloos.’
‘Echt niet?’
‘Hij is gewoon even wolkeloos.’


78 - Boom

‘Kwart voor vier. Het is tijd.’
Gespannen lopen ze naar het plein. De schoolbel rinkelt, de grote boom geeft hun dekking.
‘Zie je hem?’
‘Daar, op de vijfde rij.’
‘Voorzichtig, hij mag ons niet zien.’
‘Hij lacht.’
‘Zie je die kroon?’
‘Ja, zo leuk wat ze doen voor zijn verjaardag.’
‘Waar is zij?’
Angstig kijken ze om zich heen. Een norse vrouw grijpt zijn hand.
‘Kijk mama, ik kreeg een kroon.’
‘Huh. Wat? Oh, leuk.’
‘Vieren oma en opa mee dit jaar?’
‘Nee, Jonas. Dat gaat niet.’
‘Waarom niet?’
‘Ze kunnen niet.’
‘Maar ze wachten achter die boom …’


77 - Drijfzand

‘Het is voorbij …’
Drie fatale woorden storten mij van de top, mijn hart snelt voor mij uit. Klauwend reik ik naar houvast, mijn hoofd tolt in cirkels, vaste grond vlucht weg. Gulzig drijfzand slokt mij op, zuigt mij in het duister. Ik huil, probeer boven te blijven, mijn mond verdwijnt onder het oppervlak. Mijn ogen roepen om licht, mijn longen smeken om lucht.
‘Ik was verkeerd, ik kom terug …’
Mijn hart wil herleven, zachte handen trekken mij omhoog. Licht wil mijn ogen vullen, mijn longen blijven smeken. Koude lippen balsemen mijn bloedend hart. Het doet nog steeds zo’n pijn …


76 - Skeuomorf

‘Juf, wat is een Skeuomorf?’
‘Goh, da’s een moeilijke.’ Ze denkt na. ‘Of ook weer niet. Het is iets wat nut lijkt te hebben, maar in werkelijkheid niets doet.’
‘Heeft u een voorbeeld?’
‘Neem de vorige president van de VS. Onder die gele kuif zat een hoofd. Dat werd verondersteld verstand te bevatten, maar in vier jaar is er niets zinnig uitgekomen. Zijn mond werd verondersteld wijze woorden te verkondigen, er kwam enkel narcistische onzin uit. Zijn handen werden verondersteld het land te verenigen, ze hebben gegolfd en verdeeld. Zie je het?’
‘Helemaal. Is hij dan de ultieme Skeuomorf?’


75 - Gelukkige nieuwjaar ...

Hij wankelt, steunt tegen muren, schuifelt van schaduw naar schaduw. Bittere kou bijt in zijn gelooide huid, brandt door zijn gescheurde kleren. ‘Waarom is alles dicht?’ Witte wolken begeleiden zijn hese woorden in de stille nacht. ‘Mijn kist staat al klaar.’
Een blauwe ToiToi lonkt. ‘Jakkes.’ Zijn lege maag verkrampt. ‘Maar het is droog.’ Dikke druppels in zijn nek zetten zijn woorden kracht bij. Hij reikt naar de deur, een luide stem stopt zijn hand.
‘Hey, schooier!’ Woedend loopt de bewaker dichterbij, zijn stok in de lucht. ‘Oprotten!’
Hoofdschuddend vlucht hij weer in de kletsnatte schaduwen. ‘Ook gelukkig nieuwjaar.’


74 - Skeuomorf

‘Hoe komt het dat jullie vier jaar nodig hadden om die Skeuomorf te ontmaskeren? Er was toch niets dat functioneerde?’
‘Ik weet het, maar het is niet zo eenvoudig.’
‘Hij leek toch in niets op wat hij hoorde te zijn.’
‘Nee, maar hij kan goed praten.’
‘Veel ja, maar goed?’
‘Hij kan golfen.’
‘Sinds wanneer is dat genoeg?’
‘Hij lijkt belangrijk. Hij kan roepen, tieren en mensen bedreigen.’
‘En? Dat zijn toch geen functies van een president? Is er iets echt aan die mens? Hij is een complete Skeuomorf?’
‘Nee. Eén ding is echt.’
‘Wat dan?’
‘Zijn haar.’


73 - Prince forever

Het Sportpaleis ontploft als Prince zijn Kiss met een dubbele klets op zijn gitaar het publiek inwerpt. ‘Hello Antwerp!’ Hij knipoogt naar de zoemende schone met het gouden rokje op de eerste rij, zet een echte raspberry baret op en schrijdt pontificaal als een geile heilige over het podium. ‘Sssst,’ roept hij. De stilte bruist, Sheila E houdt haar drumsticks in de lucht. Van op de zijkant attendeert ze hem op de puntjes op de vloer. Hij springt erop, maakt het publiek gewoon gek door een draai aan de paarse knopjes op zijn broek. ‘Ready? Oké, let’s go crazy.’


72 - Nieuwjaarke zoete ...

‘Nieuwjaarke zoete …’
Zou het? Hoop rammelt aan mijn geest. Ik duw ze weg, de gezangen drijven me verder.
‘Een varken heeft vier voeten …’
Ik schuifel naar de deur. Zijn zij het?
‘Vier voeten en ne staart …’
De scharnieren kraken, mijn hart versnelt.
‘Is dat soms geen centje waard?’
Drie lachende buurmeisjes houden hun snoepzak open. Bevend grijp ik snoepjes en centjes uit het mandje in de hal.
'Alsjeblieft meisjes. Gelukkig nieuwjaar.’
‘Dankuwel mevrouw, gelukkig nieuwjaar!’
Ze huppelen naar het volgende huis. Ik sluit de deur en staar naar de stapel lievelingssnoep naast het mandje.
‘Dit jaar komen ze wel.’


71 - Skeuomorf

‘Beste burgers. Het is mijn grote eer u vandaag voor te stellen aan onze zevende minister van volksgezondheid. Net als zijn collega’s zal hij ervoor zorgen dat het niet duidelijk is wat we moeten doen om gezond te blijven. Hij zal zorgen dat er nieuwe regels komen die niemand begrijpt en die ons zoveel stress bezorgen dat we dringend op zoek moeten naar medische hulp. Die nog minder beschikbaar zal zijn door het geld dat niet meer naar de zorg, maar naar zijn departement gaat. Wij wensen hem veel succes.
Zijn naam is Skeu o’ Morf. Ierse roots indeed.’


70 - Perspectief

‘Ik zou graag meneer Pfizer spreken.’
‘Dat zal niet gaan. Kan ik u helpen?’
‘U moet het vaccin vernietigen!’
‘Ik kan u verzekeren dat het heel veilig is, meneer. Het is grondig getest.’
‘Maar het zal mijn leven overhoop halen! Alles wat ik maanden opgebouwd heb, is in gevaar.’
‘Meneer, vaccinatie is niet verplicht, maar er zullen vele levens door gered worden.’
‘U begrijpt het niet, mijn leven mag niet terug worden zoals het was. Het is perfect zoals het is. Het virus moet blijven!’
‘Sorry, meneer, maar dat is bijzonder onredelijk. Hoe was uw naam?’
‘Jack. Jack Russel.’


69 - Perspectief

‘Die lock-down werkt zo ongelooflijk op mijn systeem! Geen etentjes, geen feestjes. Wekenlang niet shoppen, geen skitrip dit jaar. We mogen niets meer. Ik kan er niet meer tegen!’
‘Het is niet leuk, maar seriously? Je zit veilig en warm binnen. Je hebt eten, drinken, facebook, whatsapp. Als je ziek bent, kan je naar de dokter. Netflix is onuitputbaar. Je kan lange wandelingen maken of een goed boek lezen. Er is zoveel te doen.’
‘Zo zie jij dat, maar voor mij is dit echt niet meer houdbaar.’
‘En wat denk je dat de mensen in Ethiopië houdbaar vinden?’


68 - De basis

'Wat doe jij nu?’
‘De compostbakken omzetten, dat zie je toch?’
‘Vandaag? Het is 1 januari!’
‘Natuurlijk, de perfecte dag daarvoor!’
‘Wat heeft compost met nieuwjaar te maken?’
‘Alles! Compost is de basis van al het goede. De rijpe compost maakt de grond vruchtbaar voor een goede oogst. Dan woel ik de jonge compost om en haal de onverteerbare vuiligheid van het vorige jaar eruit. Dat geeft zuurstof aan de lagen die nog moeten rijpen, waarna ik de ruimte ertussen vul met dunne laagjes kleurrijke herfstbladeren, rijk aan voedingsstoffen. De perfecte basis voor volgend jaar.’
‘Lang leve potgrond!’


67 - Goede voornemens

‘Wat zijn jouw goede voornemens voor dit jaar?’
‘Minder drinken. Vanaf nu drink ik niet meer dan één glas.’
‘Heeft dat misschien te maken met die vier lege flessen wijn die je vanochtend naar de glasbak droeg?’
‘Euh, nee hoor. Die zijn niet van gisteravond.’
‘Hmm. Jouw ogen zijn toch een beetje klein.’
‘Te laat naar TV gekeken. Er was Home alone 2. Kan ik niet missen.’
‘Juist ja. En hoelang ben je dit jaar van plan je voornemen te houden?’
‘Wel euh, tot het volgende glas?’
‘Happy New Year!’


66 - Pronostiek

Rillend dek ik 2020 toe terwijl bittere tranen groeven trekken door mijn wangen. Teveel dierbaren vluchten weg door de verblindende waas. Ze verbraken hun belofte om elkaar in 2021 terug te zien, hun herinnering brandt eeuwig in mij.
Ik droog mijn ogen, open het nieuwe jaar, speur naar beterschap aan de horizon. De arena in mijn hart loopt vol. Hoop wapent zich tegen wanhoop, optimisme bekampt angst, volhouden jaagt opgeven in de touwen. Hielen in het zand, klaar voor de strijd. Ik weet wie moet winnen, mijn overleven is de inzet.
Ik bid dat mijn pronostiek dit jaar uitkomt.


65 - Lock-downgeur

‘Wat is die geur?’
‘Welke geur?’
Haar neus duikt richting zijn oksel. Walging siert haar gezicht als ze naar zijn arm wijst. ‘Die geur. Wanneer heb jij je nog gedoucht?’
‘Euh, eergisteren?’
‘Djeezes! En je bent gisteren gaan hardlopen. Waarom was jij je niet?’
‘De camera op mijn laptop ruikt dat niet hoor. Niemand van de mensen in die online meetings heeft daar ooit over geklaagd.’
‘Nee, maar ik wel. Als je niet binnen de vijf seconden onder de douche staat, stuur ik iedereen in jouw online meeting een flesje met jouw geur.’
‘Ik ben al weg.’


64 - Het nieuwe normaal

Wervelende rust bedwelmt mij als ik de concertzaal binnenloop. De dubbele kletsen die diverse lock-downs uitdeelden, zinderen door mijn lijf. Het verlangen naar de tijd dat we zorgeloos popcorn van dezelfde kant aten, brandt buitengewoon intens. Het ontplofte enthousiasme als Queen B pontificaal het podium betreedt, is verre van schijnheilig, maar echt!
Ze heft haar handen in de lucht, de zaal valt stil. Lachend kijkt ze rond.
‘Are you ready?’
Vijftienduizend stemmen brullen als één. ‘Halo!’
Beyoncé schudt haar gouden kont, steekt haar tittels vooruit, werpt de ziedende massa een uitbundige zoen. ‘Hello to you! Okay, let’s go!’


63 - Ontplofte

Zwaailichten voor mijn huis slaan mijn ziel in twee. De grond zakt weg onder mijn voeten. Mijn achtjarige zoon is alleen thuis. De eerste keer sinds …
‘Wat is er gebeurd?’ Twee agenten veroordelen mij.
‘Bent u de eigenaar van dit huis? De vader van de jongen?’
‘Ja! Waar is hij?’
Eentje wijst naar een ziekenwagen. Struikelend loop ik naar daar. Mijn hart stopt. Hij is ongeschonden, maar één brok ellende. Ik druk hem stevig in mijn armen.
‘Niet boos zijn, papa.’
‘Wat is er gebeurd?’
‘De oven ontplofte.’
‘Waarom?’
‘Ik wou plofkoekjes maken voor jouw verjaardag. Zoals mama deed…


62 - Overdaad schaadt

'Jij schrijft teveel!’
'Maar ik heb dat nodig.’
'Rust heb jij nodig. Elke dag schrijven is niet gezond! Kan je woorden blijven spuien zonder dat alles eenheidsworst wordt? Herkauwen, schrappen, verbeteren tot je blind bent. Droogt je inspiratie niet op? Waar zijn je dubbele bodems? Is de speurtocht naar originele invalshoeken en verrassende verhaallijnen nog leuk of meer een last?’
'Ja ... soms is het wel wat moeilijk.’
'Zie je wel!’
'Je hebt gelijk. Ik zal rusten, afkicken. Mijn hoofd moet leeg. De pauzeknop aan. Je zal me een tijdje niet horen. Tijd voor iets anders. Oké?’
'Oké.’
'Tot … morgen?’


61 - Feest

‘Ik haat kerst en nieuwjaar. Al die geforceerde feestjes waar je je volpropt met eten, je altijd vrolijk moet zijn en lacht naar iedereen.’
‘Maar …’
‘Waar je cadeautjes moet geven die je niet wil geven en blij moet zijn met geschenken die je thuis zo snel mogelijk in een kast wegstopt of weer verkoopt of omruilt.’
‘Wacht …’
‘Voor mij mogen de feestdagen dit jaar zo snel mogelijk voorbij zijn!’
‘Meen je dit? Op welke planeet heb jij geleefd? Dit jaar zullen er geen feestjes zijn hoor.’
‘Wat? Hoezo? Geen enkel? En de kalkoen en kroketten dan? En mijn verrassing?’


60 - Kerst cantate

Getrippel op de vloer verjaagt mijn droom van jou. Het vermenigvuldigt, ruist en fluistert. Ben jij dat? Ik druk mijn vingers in mijn oren, een kriebeling trekt over mijn arm. Wat? Nee! Trillend knip ik het nachtlampje aan. Mijn hart vergeet te kloppen. Talloze blauwe mannetjes rollen over elkaar op jouw lege plek. Een rode muts klautert op mijn buik. Hij kijkt over zijn schouder en knipoogt naar mij. ‘Klaar?’ Een tik met zijn stok, het geroezemoes verstomt. Stok in de lucht, synchroon ademen ze in.
‘Van haar, voor jou.’
Zacht zingen ze uit volle borst: ‘Stille Nacht …’


59 - Fair

‘Jozef, ik denk dat het tijd is.’
‘Wacht nog even, Maria. Alle hotels zijn dicht door corona, maar over de grens zijn ze open.’
‘Vraag jij jouw zoon of hij wil wachten? Zo werkt dat niet hoor!’
‘Mijn zoon? Ben je vergeten dat ik er voor niets tussenzit? Vraag aan zijn vader dat hij het regelt.’
‘Zijn vader is hier niet.’
‘Daar kan ik niets aan doen. Ik ben maar stand-in.’
‘Dat is niet fair, Jozef.’
‘Is het wel fair dan dat zijn vader de mensen hier de baas heeft laten worden? Je ziet wat daarvan komt!’


58 - Warme Kerst

De scharnieren van de kale deur knarsen scherp.
‘Hallo …’
Verfschilfers springen rond terwijl glinsterende stofjes de charleston dansen in de ondergaande zon. Opgewonden tuur ik in het duister waar krakende voetstappen op het oude parket mij verwelkomen.
‘Ik ben er, heb gebakjes bij …’
Een schaduw nadert. Ik moet niet bang zijn, hij is een goede man. Misschien wat eenzaam, net daarom nodigt hij mij uit. Niet? Bovendien is het kerst, dan moeten we alleenstaanden warmte schenken.
‘Ik ben blij dat je gekomen bent.’
Zijn diepe stem wenkt me. Ik stap vooruit, de deur klapt dicht. Door de wind. Toch?


57 - Ungry Junkie

‘Wat? Schrijf je nu weer?’
‘Ja …’
‘Onvoorstelbaar. Wat schrijf je?’
‘Euh …’
‘Toch niet weer een UKV?’
‘Ja, ik kan niet anders.’
‘Dat moet je mij eens uitleggen.’
‘Het is goed voor mij.’
‘Onzin, je bent gewoon verslaafd aan de aandacht. Jij leeft voor likes en commentaren. Als je er niet snel een hoop hebt, word je ungry.’
‘Ungry? Wat is dat nou weer?’
‘UKV-without-likes-angry.’
‘Jij bent gek!’
‘En jij bent verslaafd.’
‘Maar nee. Het is echt goed voor mij.’
‘Hoezo?’
‘A UKV a day keeps the doctor away.’
‘Jij bent gek, jij Ungry UKV junkie!’


56 - Cantate

Statige gezangen dringen in mijn hoofd, mijn benen trillen als ik door de middengang naar jou loop. Je lacht naar mij. Ik streel jou, je aanraking vliegt weg door de hoge gewelven waar de muziek steeds luider klinkt en mijn hoofd opvult. De melodie wringt zich in de kloven tussen mooie herinneringen en het eenzame afscheid. Mijn ogen vluchten weg van jouw vereeuwigde lach op de staander, zoeken troost bij vijftien verspreidde genodigden die meelevend knikken naar mijn tranen … en verdergaan. Ik sluit mijn ogen en laat Bach’s Actus Tragicus mijn hart balsemen voor de leegte die mij wacht.


55 - Cantate 13

Gewoon, één van die ochtenden. Heimelijk verschalkt de wekker mij. Onverholen verleidt hij mij om twee keer op de puntjes van de snoozeknop te kletsen. De derde sirene sleurt me uit mijn slaap.
‘Echt? Niet opnieuw!’ Ik vlieg recht. ‘Niet nu tante Tamira met het gouden achterwerk op bezoek is!’
Verward strompel ik naar de badkamer. De koude douche stookt een aarzelende helderheid in mijn warrige geest. Zoonlief drukt een slaapdronken zoen op mijn wang.
‘Opnieuw?’
‘Opnieuw.’
'Stomme wekker.’
‘Tja. Oké, luister, ik heb weinig tijd. Doe jij het sinaasappelsap? Ik de muesli. En misschien kan Ta thee zetten?’


54 - Cantate

Gegroet, machteloze aanhoorders van foute waarheden
Luister naar onze ware woorden, voor u beleden
Laat u niet verblinden door wetenschap en beleid
Aanhoor onze waarheid, voor nu en voor altijd

Uw leiders weten niet waar hun roer u brengt
Ze denken niet aan u of mij, ze zijn zo licht gekrenkt
Doe zoals wij, zweer alle onderbouwing af
Geloof enkel nog jezelf, tot aan het graf

Wij hebben de waarheid, het licht, het leven
Wij zullen u meenemen, of toch voor even
Wij zullen u sturen, tot aan de rand
En dan zijn wij weg, voor ons gat verbrandt


53 - Stippen

Een boze grijze virusbol vol met roze stippen
Liet alle burgertjes vele malen flippen
Boe zei de virusbol met een luide zucht
Vlogen stoute burgers met hun party’s in de lucht

Maar het stoute burgertje hield niet op met trippen
En die rode virusbol kon steeds meer mensjes knippen
Daar kwam vader staatsman aan en die zei toen luid
Hou nou toch eens afstand, of je gaat nooit meer uit

Wacht nu op het spuitje en blijf braafjes binnen
Laten we toch moeite doen en geen ramp beginnen
Straks kunnen we feesten en dansen gans de nacht
Is het nu zo moeilijk dat je even wacht


52 - De laatste plek

Verdwaasd ontwakende ogen zoeken jou. Ik zie je niet. Mijn huilende hoofd klauwt en vecht om jou terug te brengen. Het lukt me niet.
Twijfelend begrip verpulvert mijn hart, weten baant zich kervend een weg door mijn weigerende geest. Ik wil me niet herinneren naar waar jij vertrokken bent, die plek in de diepte maakt mij eindeloos bevreesd.
Ik wil jou hier bij mij, op mijn bank. Ik wil je voelen, jouw warme lijf in mijn armen. Ik leg me neer, sluit mijn ogen en reis terug naar de enige, eenzame plek waar jij mij wel nog kan verwarmen.


51 - Herfst

Jack’s kwispelende staart gaat in overdrive als hij opgewonden scharrelt door het dikke bladeren tapijt.
‘Wat zie je, jongen?’
Ik loop dichter, mijn adem stokt. Een spierwitte hand met klauwende vingers zoekt een uitweg tussen de kleurrijke bladeren. Mijn hoofd wordt donker. ‘Help!’ roep ik luid en hees. Geschrokken komen omstaanders dichterbij. Angstige blikken volgen het pad van mijn trillende hand.
‘Wat is er meneer?’
‘Een … lijk.’
Een agent snelt toe. ‘Meneer, is alles oké?’
‘Daar …’
Zijn lach boort door mijn hoofd.
‘Wat?’
'U weet toch dat het herfst is?’
'Huh?’
'Paddestoelenseizoen?’
Mijn fantasie moet dringend aan de ketting.


50 - Retrospectie

‘Komaan, doe niet zo flauw, ik wil een zoen.’
‘Echt niet! Nog niet als je een gouden kont had, of mij onderdompelde in kokend ijs. Jouw vraag is excessief onethisch.’
‘En als ik me helemaal dubbel plooi voor jou, wil je dan?’
‘Wil je een klets op je hoofd? Doe nou eens gewoon zeg!’
‘Maar jij maakt mij compleet! Jij zet de puntjes op mijn i!’
‘Maar ik wil jouw tittels niet zijn! Zoals jij pontificaal door de gangen schrijdt, terwijl je kwijlend naar alle vrouwen loert! Nee hoor, schijnheiligaard. Jij bent niet de ware voor mij. Oké?’


49 - Erfenis

Jouw woorden weerklinken uit mijn mond. Mijn bedenkingen echoën in zijn stem. De blik in jouw ogen als ik weer iets fout deed, brandt op mijn gezicht als ik mijn kind berisp. Ik moet streng zijn voor zijn fouten, lachend warmt mijn hart door de spiegel voor mijn neus. Ik kan het niet verbergen, ik heb jouw trekken, hij heeft mijn gezicht. Ik werd kwaad over jouw frustraties, hij windt zich op in mijn zorgen en angsten. Zonder woorden knikken we instemmend naar elkaar.
Ik ben jij en hij is ik. Wij zijn wij. Bloed, vader, zoon. Eén.


48 - Niets

‘Mama, zijn wij niets?’
Mijn wenkbrauwen rijzen. ‘Wat zeg je, lieverd?’
‘Zijn mensen echt niets?’
‘Natuurlijk niet. Waar haal je dit?’
‘Juf Loes vertelde dat.’
Onrust borrelt in mijn lijf. ‘Wat heeft zij gezegd?’
‘Dat wij niets zijn.’
Mijn hand reikt naar mijn mobieltje. Dit laat ik hier niet bij!
‘Dat mensen niets zijn in het heelal, nog geen pluisje in het grote geheel der dingen. Een vergankelijk stofje, voorbij in een zucht. Een onooglijk deeltje van de natuur.’
Mijn hand zakt.
‘Dat we onze plaats moeten kennen.’
Fierheid groeit voor mijn achtjarige dochter.
‘Lieverd, juf Loes heeft gelijk.’


47 - Oké

Oké. Challenge accepted. Als dat voor iedereen oké is tenminste? Ik wil niemand tegen de schenen schoppen dus als iemand er niet mee oké is dat ik dit verhaal schrijf, stel ik voor dat ze dit nu zeggen of voor altijd zwijgen. Oké?
Ik weet dat ik wellicht overdrijf met het gebruik van oké, dat overmatig gebruik niet helemaal oké is, maar wat wil je? Ik doe ook maar wat ik denk dat oké is. Ik ben een mens zoals elke andere. Met tekortkomingen en gebreken. En dat is toch oké. We zijn allemaal imperfect. Oké?


46 - Goede nacht

Het was een goede nacht. Drie keer werd mijn slaap onderbroken door kronkelingen in mijn geest. Drie keer was de muze in mijn hoofd zo sterk dat ik niet anders kon dan opstaan en mijn hersenspinsels toevertrouwen aan het virtuele papier. Onaf, ruw en ongeslepen. Zonder het schaafwerk dat voorbehouden is aan de wakende uren, maar zuiver genoeg om opgenomen te worden in de lijst van verhalen die het levenslicht mogen zijn.
Drie keer kroop ik terug tussen te lakens. Tot mijn hoofd weer in overdrive ging en nieuwe verhalen naar buiten duwde.
Het was een goede nacht.


45 - Morgen

Vandaag is grauw. Ze liegen tegen mij. Morgen is alles weer goed, dan kom jij terug. Vandaag waart mist door mijn hoofd. Ik geloof niet wat ze vertellen. Jij bent er wel nog. Straks kom je naar huis.
Ik zie je nog. Je ‘tot straks’ kus brandt op mijn lippen. Je groene ogen dansen lachend voor mij. Ze knipogen en beloven. Je lieve stem galmt door mijn hoofd. Je bent er.
Ze liegen. Ze willen mij pijn doen. Ik geloof ze niet. Morgen kom jij terug en is alles goed. Ik moet alleen geduld hebben. Tot morgen. 


44 - Gaan

Don’t …
Thelma, zwijg!
Ze aarzelt bij de deur. ‘Waarom ga je?’ 
‘Het ligt niet aan jou.’
Don’t leave me …
Ik breek. ‘Natuurlijk ligt het aan mij. Zeg me wat ik moet doen.’ Haar huilende ogen trekken diepe kloven in mijn hart.
‘Echt niet. Het ligt aan mij.’
‘Is er iemand anders?’
Ze schudt haar hoofd. Tranen verdrinken haar stem. Een zachte kus op mijn wang als laatste souvenir voor ze de deur dichttrekt. Ik zak op de grond in elkaar terwijl Thelma Houston één zin eindeloos door mijn hoofd boort.
Don’t leave me this way.


43 - Schijnheilig

Luide kreten ondersteunen de betoging.
‘Stop kinderarbeid’ ‘Koop lokaal’ ‘Steun lokale productie’ ‘Milieu eerst’ ‘Stop overconsumptie’
Talloze borden zweven boven de scanderende menigte in de drukke winkelstraat. Woedende blikken tooien hun gezicht. Ik steek mijn duim omhoog, annuleer mijn bestelling bij Amazon en drink een koffie om de hoek.
De betoging is voorbij, de deelnemers zwermen uit elkaar. In grote aantallen duiken ze de mega discount stores binnen waar ze wat later met meerdere zakken naar buiten komen en een Pink Lady appel eten.
Ik zucht en drink van mijn Fairtrade koffie. Zullen we het ooit leren?


42 - Lieverkoekjes

‘Ik vind dit echt niet leuk.’
‘Dat weet ik, maar het moet.’
De blikken om mij heen worden alsmaar bozer. ‘Waarom?’
‘Omdat het in ieders belang is. We hebben geen keuze. We moeten volhouden of de zorgsector ontploft. Dan vallen de zwakken met bosjes. Is dat wat je wil?’
‘Nee, natuurlijk niet, maar ik wil mijn vrijheid. Ik wil kunnen rondlopen en mijn eigen zin doen. Zonder beperkingen. Dat heb ik veel liever.’
Mijn brede grijns wakkert de woede nog aan.
‘Waarom lach je?’
‘Weet je wat mijn mama altijd zei?’
‘Nee. Wat?’
‘Lieverkoekjes worden niet gebakken.’


41 - De sollicitatie

‘Ik weet wat ik wil voor Kerst.’
Vier paar wenkbrauwen rond de tafel gaan simultaan de hoogte in. ‘Wat zegt u?’
‘Dat ik weet wat ik wil.’
Vragende blikken worden uitgewisseld. ‘En wat mag dat dan zijn?’
‘Als ik dat vertel, moet ik u doden.’
Het geschuifel neemt toe, angst overspoelt onzekere ogen. ‘Meneer, u weet toch voor welke job u hier bent?’
‘Zeker. U ook?’
Stoelen vallen omver. Zweet parelt, gehijg weerklinkt. ‘Dit is niet grappig.’
‘Dat denk ik ook niet.’ Vier schoten weerklinken. ‘Ik wil een job als huurmoordenaar.’ Ik sta recht. ‘Ik denk dat ik ze heb.’


40 - Minoes

De duisternis van de onverlichte straten schenkt tijdelijke rust. Niemand die mijn angsten ziet, geen mens die de twijfel in mijn ogen kan misbruiken.
‘Dag Minoes.’
Een zwarte kat loopt met zekere tred naar me toe, kop hoog in de lucht. Groene ogen boren zich twijfelloos in de mijne.
‘Was ik maar zoals jij.’
Het dier streelt langs mijn been. Zachte haren dringen door mijn kousen, de kriebeling verzacht mijn brandende pijn. Jaloers kijk ik het dier na dat onverstoord zijn eigen weg gaat. Niets brengt het uit balans, niemand zal het kooien.
‘Was ik maar een kat.’


39 - Schijnheilig

‘Naar het schijnt willen ze Maradona heilig verklaren.’
‘Echt? Waarom?’
‘Omdat hij de beste voetballer aller tijden was.’
‘Oké, maar daarom is hij toch niet heilig? Bovendien heeft hij niet altijd een rechte schaats gereden tijdens zijn leven.’
‘Zo zijn er zeker nog heiligen geweest.’
‘Waarschijnlijk, maar toch. Het is toch niet omdat iemand ergens het beste in is dat we hem of haar heilig moeten verklaren. Trump vindt zichzelf ook de beste president aller tijden, moeten we hem dan ook ooit heilig verklaren?’
‘Nee, die mag de status houden waar hij zo hard voor gewerkt heeft.’
‘Welke?’
‘Schijnheilig.’


38 - De zon schijnt altijd

'Ik ben die duisternis beu!’
'Welke duisternis? De zon schijnt toch?’
Een diepe frons vormt zich op zijn voorhoofd. Hij tikt tegen zijn slaap en wijst uit het raam. 'Heb je al eens buiten gekeken?’
'Zeker. En de zon schijnt!’
'De zon? Ik zie ze niet. Zo’n sombere hemel heb ik al lang niet meer gezien.’
Mijn glimlach wordt breder. ‘En toch schijnt ze.’
Meewarig schudt hij zijn hoofd. ‘Je wordt seniel. Ik zie geen zon.’
'Sinds wanneer moet je de zon zien om te weten dat ze schijnt?’
Hij zucht diep en loopt hoofdschuddend de zonovergoten regen in.


37 - Ben ik braaf geweest?

De spanning stijgt, nog even geduld. Wat gaat het worden, is er iets voor mij bij? Ik weet het niet. Ben ik braaf geweest? Of stout en ongehoorzaam zoals elk jaar? Ik graaf in mijn geheugen, wat heb ik mispeuterd, wie heb ik gekwetst? Ik vind het niet. Mijn geheugen is leeg, het jaar lijkt een droom.
Toch één voordeel van dit kl…jaar? Ik heb niemand gezien, niemand gehoord, niemand pijn gedaan. En dus … jawel, dus was ik braaf! En ja hoor, dan brengt de goede Sint mij ongetwijfeld een presentje. Wat een leuk jaar!


36 - Pontificaal - Goddelijk

De zware deur zwaait langzaam open. Ingetogen, alsof ze ons wil uitdagen.
‘Zie je hem? Ik durf niet kijken.’
‘Nee.’ Mijn vriendin legt een vinger op haar lippen. ‘Wacht.’
Rozenblaadjes worden door de wind naar buiten gezogen.
‘Hij is op komst.’
Hemelse gezangen klinken in onze oren. Een rozenblad streelt mijn wang, jaagt een schok door mijn hart.
‘Ja, hij is er!’
Versteend kijk ik naar de deur. Ik kan niet meer ademen als Leonardo di Caprio, getooid in gebloemde shorts, crocs en wit onderhemd pontificaal naar zijn golfkar schrijdt.
‘Goddelijk,’ fluisteren we gelijk. ‘Gewoon goddelijk!’


35 - Gelukkige verjaardag

‘Gefeliciteerd, lieve schat. Weer een jaartje wijzer.’
‘Wijzer, klinkt goed. Maar ook een jaartje ouder. Meer rimpels. Rugzak nog wat verder gevuld. En weer een jaar weg.’
‘Niks weg. Een jaar vol ervaringen, inzichten. Anders, maar genieten. Toch?’
‘Goh, dit jaar? Ik weet het niet.’
‘Ik wel. Blijven dromen, schat. Van de dingen die we nog allemaal kunnen doen.’
‘Die dingen die we dit jaar niet hebben kunnen doen, bedoel je die?’
‘Nee, de extra dingen die we wel nog kunnen en zullen doen. Vergeet niet, wij zijn bij de gelukkigen. Wij zijn er nog.’


34 - Bibliotheek

In die twintig jaar dat ik hier werk, heb ik nog nooit iemand een boek weten stelen, tot vandaag. Een schuchtere jongen, veertien jaar oud schat ik, stak ‘Koning van Katoren’ in zijn jas. Ik zag het en liep naar hem toe.
‘Jongeman, wat ben je plan?’
Onschuldig keek hij mij aan. ‘Euh, niets.’
‘Dat boek, in jouw jas. Wat is de bedoeling?’
Zijn ogen sloegen neer. ‘We moeten dat lezen voor school.’
‘En waarom steel je dat, je kan dit lenen hoor. Dit is een bibliotheek.’
‘Een bibliotheek? Wat is dat? Kan je hier geen boeken kopen dan?’


33 - Thuiskomst UKV van de week - Schrijven Online - 27/11/2020

‘Welkom thuis, lieverd.’
De echo van haar stem rolt uit mijn hoofd, botst tegen de kale muren. De diepe stilte verlamt mij. Ik strompel naar de keuken, mijn neus in de lucht.
‘Heb je honger?’
‘Ja,’ antwoord ik en glimlach. De leegte lacht niet terug. De pizza van gisteren loert beschuldigend naar mij.
‘Hoe was je dag?’
‘Goed, dank je, schat. Druk, maar oké. En de jouwe?’
Mijn ogen loeren rond in de chaos. Mijn hersenen weigeren te zien.
Ik zak onderuit in de oude sofa, mijn hart weigert te aanvaarden.
Mijn lijf schreeuwt. Ik ben alleen.


32 - Mening

‘Weet je, ik vind dat iedereen het recht heeft op zijn of haar eigen mening.’
‘Da’s nobel.’
‘En iedereen moet respect hebben voor een ander zijn mening.’
‘Dat zou moeten, ja.’
‘Niemand moet het met mij eens zijn. Ik kan er perfect tegen dat iemand de dingen anders ziet.’
‘Da’s knap.’
‘Ook jij moet het niet met mij eens zijn hé.’
‘Natuurlijk niet.’
‘Je mag van mening verschillen, da’s echt oké.’
‘Natuurlijk, dat weet ik.’
‘Dus jij vindt dat ik gelijk heb.’
‘Helemaal niet, ik vind dat je onzin uitkraamt.’
‘Wat! Rot op met je kritiek.’


31 - Tittel

‘Genoeg! Ik wil de puntjes op de i zetten!’
‘Dat kan niet.’
‘Wat bedoel je? Je wil niet? Ik wil hier orde op zaken stellen. Puntjes op de i, zoals dat heet.’
‘Dat is best mogelijk, maar dat kan niet.’
‘Wil je nu eens meewerken? We hebben hier geen behoefte aan dwarsliggers.’
‘Ik ben geen dwarsligger. Ik ben niet degene die het onmogelijke vraagt. Ik wil best meewerken aan verbetering, maar we gaan niet de puntjes op de i zetten.’
‘En waarom niet? Waarom wil meneer moeilijk doen?’
‘Omdat op een i geen puntjes staan, maar één punt. Daarom.’


30 - Tittel

‘Ik snap er geen jota van. Hoe kan Loïs zo naïef zijn?’
‘Wat bedoel je?’
‘Wel, zij had de inkomgelden geïnd moeten hebben voor de mensen de ruïne van de bedoeïen binnengingen. Nu is het te laat. Ze hebben de mozaïek gezien en zijn vertrokken.’
‘Is dat geen taak voor de conciërge?’
‘Dat zou je denken ja, maar die is daar totaal niet in geïnteresseerd.’
‘Wat doet die dan?’
‘De deur openen. Meer niet. Maar hij wil wel alle geïnde inkomsten voor hem.’
‘Is dat wat niet egoïstisch?’
‘Ja, ik word daar echt helemaal weeïg van.’


29 - Doe maar iets

‘En wat mag het zijn voor meneer?’
‘Een gin tonic graag.’
‘Zeker, welke? Een biologische gin, de klassieke Bombay of Hendrick’s, of een aged Copperhead?’
‘Maakt niet uit, doe maar iets.’
‘Zeker. Tonic? Schweppes, Fever-Tree of onze unieke The Duchess?’
‘Weet je, alles is goed, doe maar iets.’
‘Iets botanisch als extraatje voor de smaak?’
‘Doe maar iets.’
‘Zeker, meneer.’
‘Voilà, uw gin. Geniet ervan.’
‘Dank u. Maar euh …’
‘Ja meneer?’
‘Het is toch geen Copperhead met Fever-tree en rozenblaadjes? Want dat lust ik echt niet.’


28 - Voorbij

Ze zei dat ze niet meer van mij hield. 'Het ligt niet aan jou, het ligt aan mij. Je bent het beste dat me ooit is overkomen ...’
‘Maar ...?’
'Maar het is voorbij.’
'Waarom? We hadden het toch goed?’
'Ik moet verder. Ik ben niet goed voor jou. Ik wil jou ruimte geven.’
'Maar ik wil geen ruimte. Ik wil jou. En waarom nu? Na vijf jaar?’
'Het spijt me.’
Een kus op de wang op weg naar buiten is alles wat mij rest. Ik begrijp het niet. En wie is die man waar ze gisteren mee trouwde?


27 - Gewoon

Zijn ouders vonden haar maar gewoon. Een meter vijftig. Bruin haar. Bruine ogen. Geen dokter in de wetenschappen. Een kantoorjob. Secretaresse. Gewoon. Vonden zij. Ze sprak zacht. Geen uitgesproken mening. Geen centrum van de aandacht. Onopvallend. Gewoon.
Ze begrepen niet wat hij in haar zag.
'Je kan toch beter vinden?’
Zijn blik was niet gewoon. 'Beter? Hoe durven jullie! Niemand is beter dan zij.’
'Maar ze is zo gewoon.’
Hij keerde zich om. ‘Dat is ze niet! Jullie zijn niet gewoon.’ Hij liep weg. ‘Bovendien houden wij gewoon echt van elkaar. Dat is toch gewoonweg genoeg.’


26 - Gewoon

‘Hoe gaat het met jou?’
‘Goh, gaat wel. Is al beter geweest. Je weet wel, deze gekke tijden. Hoe is het met jou?’
‘Gaat ook wel. Ook gekke tijden.’
‘Da’s waar. Is er iets?’
‘Nee, hoezo?’
‘Waarom vraag je plots hoe het gaat?’
‘Waarom niet?’
‘Weet niet. Je vraagt dat niet snel.’
‘Da’s waar. Ik vraag dat niet genoeg.’
‘Is er echt niets?’
‘Nee hoor. Ik wou het gewoon doen.’
‘Waarom?’
‘Omdat we het gewoon niet genoeg doen. We vinden het allemaal maar gewoon dat het moet gaan. Maar dat is niet gewoon, toch?’
‘Je hebt gewoonweg gelijk.’


25 - (n)ooit

‘De Grand Canyon? Die loopt niet weg.’
‘Roadtrippen, da’s voor mijn pensioen.’
‘Het Noorderlicht? Dat doen we binnen een paar jaar.’
De kale man met vale huid die mij met bloeddoorlopen ogen aanstaart in de spiegel, schudt zijn hoofd. ‘Je had niets mogen uitstellen, vriend.’ Mijn stem is schor. De buisjes die mijn zieke lichaam op verschillende plaatsen verlaten, versieren me als kerstslingers. ‘Je had niet mogen wachten.’
Ik knik en keer me om. Het kost moeite om in bed te geraken, vastberaden staar ik naar het plafond. ‘Geen uitstel meer. Morgen ben ik weg.’


24 - Gewoon

‘Doe nou toch eens gewoon!’
‘Wat? Waarom?’
‘Je doet zo gek.’
‘Niet waar. Ik doe niet gek, ik doe gewoon.’
‘Vind je dat? Eerst roepen tegen iedereen die binnenkomt, om ze daarna af te likken als een gek.’
‘Ja, ik vind dat gewoon, mag het?’
‘Nee, dat mag niet. Dat hoort niet in ons huis.’
‘Waarom niet? Al mijn broers en zussen doen dat hoor.’
‘Dan schort er iets aan jullie opvoeding, want dat is niet gewoon.’
‘Dat is het wel. En als je dat niet gewoon vindt, had je wat beter moeten nadenken voor je een hond nam.’


23 - Vrijdag de dertiende

De zwarte kat die vanochtend onder een ladder liep, heeft me geen ongeluk gebracht. Het klavertje vier dat ik vertrappelde, heeft me niet gedood. Ook de spiegel die vanmiddag in duizend stukken uit elkaar spatte, is zonder gevolgen opgekuist en verdwenen. Heel even was ik bang dat mijn niesbui tijdens het avondmaal een slachtoffer zou vergen, maar ook daar voorlopig geen gevaar.
Maar vergis u niet, vrijdag de dertiende zal zich wreken. Zonder dat u er erg in heeft, sleurt hij de dag buiten uw bereik. Verdwijnen ook deze uren als een dief in de nacht. Voor eeuwig verloren.


22 - To meet or not to meet ...

‘Zien jullie mijn scherm?’
‘…’
‘Tony, je staat op mute.’
‘…’
‘Tony, je microfoon staat dicht.’
‘…’
‘Tony, ik hoor je niet!’
‘…’
‘Tony, dit werkt niet, kan je je microfoon openzetten? Ik hoor je niet.’
‘…’
‘TONY!’
‘Dus om te concluderen, om online meetings vlotter te laten verlopen, stel ik voor dat we een aantal richtlijnen uitvaardigen. Om te beginnen checkt iedereen zijn microfoon voor hij of zij spreekt en bevestigen ze als ze het gedeelde scherm zien. Kunnen we dat afspreken?’
‘Oh Tony!’


21 - Vergeten

‘Ik wil dat u mijn volledige geschiedenis en online identiteit wist. Alles wat ik ooit op Facebook gezet heb, moet verdwijnen. Kan u daarvoor zorgen?’
‘Dat kan.’
‘Hoe.’
‘Hier is formulier 465bis. Als u dat invult, doen we het nodige.’
‘En zorgt u dan ook dat vergeten wordt dat ik dit formulier invulde?’
‘Euh, als dat moet.’
‘Dan ben ik volledig weg?’
‘Ja.’
‘Oké, maar misschien toch nog een vraagje.’
‘Ja?’
‘Als dat gebeurd is, dan kan ik hopelijk toch wel nog zien hoeveel likes ik gekregen heb?’


20 - Klets

‘Wat ben jij een kletsmajoor!’
‘Wie? ik?’
‘Ja jij, meneertje praatgraag! Een echt viswijf. Je stopt gewoon niet met ratelen! Dat is echt niet leuk voor de leerlingen in deze klas.’
‘Maar …’
‘Wat maar? Wat voor uitleg heb je? Welk excuus ga je bovenhalen?’
‘Ik …’
‘Zie je wel, je hebt geen reden. Al dat praten, dat is nergens goed voor. Concentratie en stilte zijn er nodig. Hoe wil je nu dat de leerlingen iets leren! Ze moeten absorberen en verteren. Niet jouw eindeloze stroom lege woorden incasseren.’
‘Maar …’
‘Maar wat?’
‘Ik ben toch de leraar?’


19 - Klets

Klets boem patat
Verdwaasd val ik op de grond, lig op mijn gat
De wereld heeft me omver geblazen
Links en rechts zien halflege glazen
Corona heeft me uit balans gebracht
Weg met de vakantie, zo naar getracht
Besmettingen slaan me om mijn oren
Angst en paranoia heersen als nooit tevoren
Extremisme, polarisering, uitbuiting en nijd
Ik verlang naar de toekomst, een nieuwe tijd
Ik hoop dat wij het kunnen, samen leven
Ik verlang dat we klaar zijn om alles te geven
Klets boem patat
Ik ben hier weg, ik heb het gehad


18 - Durf

Twijfelende schaduwen wandelen op kousenvoeten over mijn gelaat. Schoorvoetend nader ik haar.
‘Hallo.’ Mijn stem kraakt als een oude plaat.
‘Hallo.’ Een frisse, opgewekte verschijning groet mij. Mijn adem stokt. ‘Hoe is het met jou?’ Vrolijke, blauwe ogen kijken me zonder oordeel aan.
‘Euh … goed.’
Stilte. Mijn tong bevriest. Ik verdrink in haar ogen. Haar hoofd valt schuin. ‘Wilde je mij iets vragen?’
Ja. Ik vraag niets. Mijn hoofd wordt rood. Ik lach schuchter en loop weg. Ik vervloek mezelf. Waarom durf ik niet?
‘Wacht,’ roept ze. ‘Ik loop mee.’
Ik wacht en lach.


17 - Dubbel

…tje op zijn kant
…op
… dobbel
…leven
Wat als we alles dubbel konden doen? Twee keer leven, twee keer genieten, twee keer dronken worden met vrienden. Twee keer een nachtje blijven hangen aan de toog, vol wijsheden en waarheden.
Wat als het leven geen dubbeltje op zijn kant was, maar we dubbel konden leven? Parallel, naast elkaar. Twee keer.
Wat als het leven geen lotterij was, zoals dubbel dobbel?
Wat als het allemaal dubbelop was en we twee keer zouden … sterven?
Laten we het bij één keer houden. Eén keer leven, maar dubbel genieten.


16 - De andere kant van de winter UKV van de week - Schrijven Online - 06/11/2020

‘Ik hoop dat ik de winter overleef.’
Met vertraging bereiken haar woorden mijn geest. ‘Wat zeg je, mama?’
‘Ik hoop dat ik de winter overleef. Mijn tijd wordt kort. Die van de jeugd is lang. Zij klagen dat ze eenzaam zijn, dat afstand houden zwaar is. Ik ben doodsbang daarvoor.’
Mijn hoofd tolt. ‘Natuurlijk overleef je de winter, mama. Jij bent sterk!’
Haar verrimpelde handen vouwen samen. ‘Dat zeg je altijd, nu weet ik het niet.’
De onmacht in haar stem verpulvert mijn hart.
‘We gaan daar allemaal samen voor zorgen, mama.’
De twijfel in haar ogen is onverteerbaar.


15 - Dubbel ...

…tje op zijn kant
…op
… dobbel
…leven
Wat als we alles dubbel konden doen? Twee keer leven, twee keer genieten, twee keer dronken worden met vrienden. Twee keer een nachtje blijven hangen aan de toog, vol wijsheden en waarheden.
Wat als het leven geen dubbeltje op zijn kant was, maar we dubbel konden leven? Parallel, naast elkaar. Twee keer.
Wat als het leven geen lotterij was, zoals dubbel dobbel?
Wat als het allemaal dubbelop was en we twee keer zouden … sterven?
Laten we het bij één keer houden. Eén keer leven, maar dubbel genieten.


14 - Kachel

De ronkende kachel spreidt haar warmte met dikke vingers door de kamer.
‘Haal jij nog wat hout, Jan? Voor het vuur dooft.’
‘Wat zeg je?
‘Hout. Voor de kachel.’
‘Ah ja, oké.’
De warmte verdooft de stilte, de avond schrijdt verder.
‘Is de krant interessant?’
‘Huh?’
‘Laat maar, haal jij hout? Als ik kon, deed ik het.’
‘Wat? Waarom?’
‘Omdat het anders koud wordt.’
‘Juist ja, dadelijk.’
Het ronken verstomt, de warmte stroomt weg.
‘Zeg Pieter, wat is er met die kachel?’
‘Wat zou er met die kachel zijn?’
‘Ze brandt niet meer. Is het hout op?’


13 - Tot in den draai

'Waar gaan we naartoe?’
'Naar het einde van de regenboog.’
'Hou me niet voor de gek, dat kan niet.’
'Waarom niet? Gewoon de kleuren volgen tot ze stoppen.’
'Die stoppen niet. Dat lijkt maar zo.’
'Dat geeft niet. Dan blijven we reizen.’
'Naar waar? We moeten toch een doel hebben?’
‘Waarom? Is de reis niet genoeg?’
'Dan komen we nooit aan. Wat moeten we dan?’
'Da’s toch perfect. We blijven reizen.’
'Tot wanneer?’
'Tot we het moe worden.’
'En dan?’
'Dan gaan we nog wat verder.’
'Naar waar?’
‘Voorbij de bocht achter het einde.’


12 - Fonetisch

‘Nee, dat is niet oké.’
‘Maar waarom niet? We doen toch niets verkeerd?’
‘Toch wel. Het is niet juist. Stelen mag niet, dat weet je.’
‘Maar het is van de rijken, dat is toch anders?’
‘Nee, dat is het niet. Stelen is stelen, eender wie het slachtoffer is.’
‘En toch doe ik het.’
‘Dat doe je niet. Je stopt nu. Echt waar. Of wil je dat ik de politie bel?’
‘Dat zou je toch niet doen?’
‘Toch wel, want hoe je het ook draait of keert, stelen is altijd effenaf onetisch.’


11 - Ik wil

'Kijk zo niet.’
'Je weet wat ik wil.’
'Ja, maar niet nu.’
'Waarom niet?’
‘Ik heb geen zin.’
‘Maar ik wel. Ik wil echt.’
'Jij wil altijd. Ik heb geen zin en geen tijd.’
'En toch wil ik.’
'Stop dat gegrom.’
'Ik wil nu!’
‘Niet janken alsjeblieft!’
‘Nu!’
‘Kijk zo niet naar mij en haal je kop van mijn been.’
'Ik wil nu of ik pis in huis.’
‘Het is al goed. We gaan als de afwas gedaan is.’
'Eindelijk.’
'En stop dat gekwispel. Ja, je hebt weer gewonnen, maar wrijf het er zo niet in.’


10 - Gescheiden

‘Ga niet weg, ik heb je nodig.’
‘Niet meer, het is voorbij.’
‘We waren toch goed samen, zo close.’
‘Ik moet mijn eigen weg gaan. Het spijt me.’
‘En ik? Waar moet ik naartoe?’
‘Jij kan opnieuw beginnen.’
‘En jij?’
Ik krimp in elkaar. ‘Ik weet het niet.’ Het wordt heet. ‘Ik denk het niet.’
‘Blijf dan bij mij.’
‘Dat gaat niet. Het ga je goed.’
‘Ik zal je missen,’ dringt in mijn plastic oren net voor het vuur van de verbrandingsoven mij verteert en mijn kartonnen omhulsel in een grote baal geperst wordt voor een nieuwe start.


9 - Overal - UKV van de week - Schrijven Online - 23/10/2020

‘Mama, waar gaan die wolken naartoe?’
‘Die gaan op reis, lieverd.’
‘Naar waar?’
‘Naar overal.’
‘Waar is dat, overal?’
‘Dat is elke leuke plek die je kan bedenken. Elke mooie plek, waar lieve en vriendelijke mensen zijn. In de bergen, in de bossen, aan het strand, in de stad. Kies maar.’
‘Ben jij al overal geweest, mama?’
‘Een paar keer, nog lang niet genoeg.’
‘Ik wil met de wolken mee, mama.’
‘Dat is een heel goed idee, lieverd. Naar waar wil je?’
‘Naar overal. Ga je mee?’


8 - Beyoncevlieg

‘Zie ze bezig!’ roept Danaus Affinis. ‘Niet te doen!’
‘Wat scheelt er, moerastijger?’ vraagt Amenia Chrysmae. ‘Ik dacht dat ze zo’n toffe was? Ze is toch gewoon een arthropoda, zoals wij?’
‘Och, groene blaasvlieg, breek me de bek niet open!’ roept de gouden Rhiniin vlieg. ‘Sinds ze een naam gekregen heeft, denkt ze dat ze de wereld rulet, is ze crazy in love met zichzelf en hangt er een halo rond haar. Maar heb je haar al eens goed bekeken? Alleen haar kont blinkt en ik ben helemaal van goud! Wie denkt ze wel dat ze is? Queen B?’


7 - Tot morgen!

Vuurrode vingers strelen aarzelend de horizon. ‘Mag ik?’ vragen ze verlegen.
‘Natuurlijk mag je,’ fluistert de einder. ‘Hier ben je elke dag welkom.’
‘Dank je,’ lacht de krimpende vuurbol en zakt verder weg.
‘Geen dank,’ kweelt de immer rechte kim. ‘Jij hoort toch bij mij en ik bij jou.’
‘Da’s waar,’ lacht de reus. Haar vurige stralen dekken de avond toe.
‘Slaap zacht,’ kolderen de meeuwen in koor.
De laatste goudgerande wolken wuiven naar haar toeschouwers. ‘Tot morgen.’
‘Tot morgen!’ briesen de baren nadat ze de zon verorberd hebben. ‘Tot morgen, voor een nieuwe dag.’


6 - Oxymoron

Diepe stilte schreeuwt om mijn aandacht.
Traag haast ik me naar de overkant, waar zij, voorbij het einde, op mij wacht.
Waar de gloeiende vrieskou door het oog van de orkaan raast en de open vlakte mijn pad blokkeert.
Ik ga kopje onder in het oppervlakkige water, volg haar spoor in een wirwar van rechte lijnen, zie haar weerspiegeling in het oplichtende zwart.
Mijn hart breekt van vreugde, mijn ogen verkruimelen door mijn tranen.
Ik weet dat het einde pas begint in mijn afgelopen zoektocht naar liefde,
in het eeuwig vergeten worden in de nooit afhoudende bewegingloze wind.


5 - Afscheid van het weekend

Het weekend heeft ons weer verlaten. Zondag vouwt zijn boeken toe, herinneringen aan de vrijdaagse zucht zweven voorbij.
De verwachting naar twee dagen vol rust, shoppen, klussen, feest, vrienden zien - euh, die twee dingen even niet - en … niets doen, ebt weer weg.
Oppeppen voor een week vol aandacht voor de kinderen en het werk. Concentratie, meetings - kan je mijn scherm zien? Je bent muted, Jan - en denken aan welke dingen we nu weer moeten verbeteren.
Om snel weer uit te kijken naar een nieuw weekend vol … vol verwachting, weinig tijd en …


4 - Loslaten

Bijna klaar. Nog een puntje verschuiven, een kommatje toevoegen. Nee, dit woord is niet juist, en die zin moet anders. Voilà.
Klaar?
Ja.
Zeker?
Nog één ding checken. Oké.
Echt zeker?
Ik denk het.
Laat het dan los.
Nog één keer nalezen.
Loslaten!
Oké, ik laat het los. Hier is mijn verhaal. Raakt het je? Vind je het goed? Word je er door ontroerd? Leg het alsjeblieft niet onaangeroerd naast je neer!
Nagelbijtend wachten op reactie. Was het eigenlijk wel klaar? Was het af? Hoe zat dat ook alweer met loslaten?
Verdorie, ben ik wel gemaakt om te schrijven?


3 - Echt

Rode vlekken deinen uit op de bleke ondergrond. Opstijgende kreten begeleiden mij naar het vuur, waar vlammen hoog oplaaien en gretig aan mijn gezicht likken.
‘En?’
‘Nog niet, het is te vroeg.’
Ik draai me om, staar in de rode plas, zoek naar hulp. 
‘Daar!’ klinkt opgewonden achter mij. ‘Neem dat mes!’
Het stalen heft voelt goed in mijn hand. Vastberaden hef ik het hoog, het witte vlees valt zonder weerstand uit elkaar in de rode poel.
‘Bijna klaar.’
‘Echt?’
‘Ja, nog een paar minuutjes.’
‘Eindelijk!’
Het is tijd, het vuur is heet. De pizza funghi kan erin.


2 - Echt?

'Ben je moe?’
'Waarom denk je dat?’
'Je geeuwt.’
'Dat is niet van vermoeidheid.’
'Dus ik verveel je.’
'Waarom zeg je dat?’
'Je geeuwt opnieuw.’
'Dat is niet van verveling.’
'Vind je mij dan saai?’
'Wees toch niet zo onzeker!’
'Weer een geeuw!’
'Dat is niet omdat ik je saai vind.’
'Maar waarom geeuw je dan?’
'Omdat je mijn hersenen verhit.’
'Echt?’
'Neen.’
'Komaan zeg, hou me niet voor de gek. Waarom geeuw je nu dan weer?’
'Je vermoeit mij met jouw vragen.’


1 - Echt

‘Lieverd, laten we in de echt verbinden.’
‘Is dat een aanzoek?’
‘Ja, een echt.’
‘Waarom?’
‘Dat is echt leuk naar het schijnt.’
‘Wow, ik weet echt niet wat zeggen.’
‘Wat denk je van ja? Dat zou echt goed zijn.’
‘Kunnen we in de echt verbonden blijven? Ze zeggen dat dat echt moeilijk is.’
‘Wij kunnen dat. Echt.’
‘Ik weet het niet, echt niet.’
‘Och, als het niet lukt, kunnen we uit de echt gescheiden worden. Toch?’
‘Wil je dat dan? Ik echt niet.’
‘Ik ook niet. Maar weet je wat?’
‘Wat?’
‘We doen gewoon alsof het echt is.’


Terug naar boven