Ultra Korte Verhalen

Verhaaltjes van maximaal 99 woorden


Bibliotheek

In die twintig jaar dat ik hier werk, heb ik nog nooit iemand een boek weten stelen, tot vandaag. Een schuchtere jongen, veertien jaar oud schat ik, stak ‘Koning van Katoren’ in zijn jas. Ik zag het en liep naar hem toe.
‘Jongeman, wat ben je plan?’
Onschuldig keek hij mij aan. ‘Euh, niets.’
‘Dat boek, in jouw jas. Wat is de bedoeling?’
Zijn ogen sloegen neer. ‘We moeten dat lezen voor school.’
‘En waarom steel je dat, je kan dit lenen hoor. Dit is een bibliotheek.’
‘Een bibliotheek? Wat is dat? Kan je hier geen boeken kopen dan?’


Thuiskomst UKV van de week - Schrijven Online - 27/11/2020

‘Welkom thuis, lieverd.’
De echo van haar stem rolt uit mijn hoofd, botst tegen de kale muren. De diepe stilte verlamt mij. Ik strompel naar de keuken, mijn neus in de lucht.
‘Heb je honger?’
‘Ja,’ antwoord ik en glimlach. De leegte lacht niet terug. De pizza van gisteren loert beschuldigend naar mij.
‘Hoe was je dag?’
‘Goed, dank je, schat. Druk, maar oké. En de jouwe?’
Mijn ogen loeren rond in de chaos. Mijn hersenen weigeren te zien.
Ik zak onderuit in de oude sofa, mijn hart weigert te aanvaarden.
Mijn lijf schreeuwt. Ik ben alleen.


Mening

‘Weet je, ik vind dat iedereen het recht heeft op zijn of haar eigen mening.’
‘Da’s nobel.’
‘En iedereen moet respect hebben voor een ander zijn mening.’
‘Dat zou moeten, ja.’
‘Niemand moet het met mij eens zijn. Ik kan er perfect tegen dat iemand de dingen anders ziet.’
‘Da’s knap.’
‘Ook jij moet het niet met mij eens zijn hé.’
‘Natuurlijk niet.’
‘Je mag van mening verschillen, da’s echt oké.’
‘Natuurlijk, dat weet ik.’
‘Dus jij vindt dat ik gelijk heb.’
‘Helemaal niet, ik vind dat je onzin uitkraamt.’
‘Wat! Rot op met je kritiek.’


Tittel

‘Genoeg! Ik wil de puntjes op de i zetten!’
‘Dat kan niet.’
‘Wat bedoel je? Je wil niet? Ik wil hier orde op zaken stellen. Puntjes op de i, zoals dat heet.’
‘Dat is best mogelijk, maar dat kan niet.’
‘Wil je nu eens meewerken? We hebben hier geen behoefte aan dwarsliggers.’
‘Ik ben geen dwarsligger. Ik ben niet degene die het onmogelijke vraagt. Ik wil best meewerken aan verbetering, maar we gaan niet de puntjes op de i zetten.’
‘En waarom niet? Waarom wil meneer moeilijk doen?’
‘Omdat op een i geen puntjes staan, maar één punt. Daarom.’


Tittel

‘Ik snap er geen jota van. Hoe kan Loïs zo naïef zijn?’
‘Wat bedoel je?’
‘Wel, zij had de inkomgelden geïnd moeten hebben voor de mensen de ruïne van de bedoeïen binnengingen. Nu is het te laat. Ze hebben de mozaïek gezien en zijn vertrokken.’
‘Is dat geen taak voor de conciërge?’
‘Dat zou je denken ja, maar die is daar totaal niet in geïnteresseerd.’
‘Wat doet die dan?’
‘De deur openen. Meer niet. Maar hij wil wel alle geïnde inkomsten voor hem.’
‘Is dat wat niet egoïstisch?’
‘Ja, ik word daar echt helemaal weeïg van.’


Doe maar iets

‘En wat mag het zijn voor meneer?’
‘Een gin tonic graag.’
‘Zeker, welke? Een biologische gin, de klassieke Bombay of Hendrick’s, of een aged Copperhead?’
‘Maakt niet uit, doe maar iets.’
‘Zeker. Tonic? Schweppes, Fever-Tree of onze unieke The Duchess?’
‘Weet je, alles is goed, doe maar iets.’
‘Iets botanisch als extraatje voor de smaak?’
‘Doe maar iets.’
‘Zeker, meneer.’
‘Voilà, uw gin. Geniet ervan.’
‘Dank u. Maar euh …’
‘Ja meneer?’
‘Het is toch geen Copperhead met Fever-tree en rozenblaadjes? Want dat lust ik echt niet.’


Voorbij

Ze zei dat ze niet meer van mij hield. 'Het ligt niet aan jou, het ligt aan mij. Je bent het beste dat me ooit is overkomen ...’
‘Maar ...?’
'Maar het is voorbij.’
'Waarom? We hadden het toch goed?’
'Ik moet verder. Ik ben niet goed voor jou. Ik wil jou ruimte geven.’
'Maar ik wil geen ruimte. Ik wil jou. En waarom nu? Na vijf jaar?’
'Het spijt me.’
Een kus op de wang op weg naar buiten is alles wat mij rest. Ik begrijp het niet. En wie is die man waar ze gisteren mee trouwde?


Gewoon

Zijn ouders vonden haar maar gewoon. Een meter vijftig. Bruin haar. Bruine ogen. Geen dokter in de wetenschappen. Een kantoorjob. Secretaresse. Gewoon. Vonden zij. Ze sprak zacht. Geen uitgesproken mening. Geen centrum van de aandacht. Onopvallend. Gewoon.
Ze begrepen niet wat hij in haar zag.
'Je kan toch beter vinden?’
Zijn blik was niet gewoon. 'Beter? Hoe durven jullie! Niemand is beter dan zij.’
'Maar ze is zo gewoon.’
Hij keerde zich om. ‘Dat is ze niet! Jullie zijn niet gewoon.’ Hij liep weg. ‘Bovendien houden wij gewoon echt van elkaar. Dat is toch gewoonweg genoeg.’


Gewoon

‘Hoe gaat het met jou?’
‘Goh, gaat wel. Is al beter geweest. Je weet wel, deze gekke tijden. Hoe is het met jou?’
‘Gaat ook wel. Ook gekke tijden.’
‘Da’s waar. Is er iets?’
‘Nee, hoezo?’
‘Waarom vraag je plots hoe het gaat?’
‘Waarom niet?’
‘Weet niet. Je vraagt dat niet snel.’
‘Da’s waar. Ik vraag dat niet genoeg.’
‘Is er echt niets?’
‘Nee hoor. Ik wou het gewoon doen.’
‘Waarom?’
‘Omdat we het gewoon niet genoeg doen. We vinden het allemaal maar gewoon dat het moet gaan. Maar dat is niet gewoon, toch?’
‘Je hebt gewoonweg gelijk.’


(n)ooit

‘De Grand Canyon? Die loopt niet weg.’
‘Roadtrippen, da’s voor mijn pensioen.’
‘Het Noorderlicht? Dat doen we binnen een paar jaar.’
De kale man met vale huid die mij met bloeddoorlopen ogen aanstaart in de spiegel, schudt zijn hoofd. ‘Je had niets mogen uitstellen, vriend.’ Mijn stem is schor. De buisjes die mijn zieke lichaam op verschillende plaatsen verlaten, versieren me als kerstslingers. ‘Je had niet mogen wachten.’
Ik knik en keer me om. Het kost moeite om in bed te geraken, vastberaden staar ik naar het plafond. ‘Geen uitstel meer. Morgen ben ik weg.’


Gewoon

‘Doe nou toch eens gewoon!’
‘Wat? Waarom?’
‘Je doet zo gek.’
‘Niet waar. Ik doe niet gek, ik doe gewoon.’
‘Vind je dat? Eerst roepen tegen iedereen die binnenkomt, om ze daarna af te likken als een gek.’
‘Ja, ik vind dat gewoon, mag het?’
‘Nee, dat mag niet. Dat hoort niet in ons huis.’
‘Waarom niet? Al mijn broers en zussen doen dat hoor.’
‘Dan schort er iets aan jullie opvoeding, want dat is niet gewoon.’
‘Dat is het wel. En als je dat niet gewoon vindt, had je wat beter moeten nadenken voor je een hond nam.’


Vrijdag de dertiende

De zwarte kat die vanochtend onder een ladder liep, heeft me geen ongeluk gebracht. Het klavertje vier dat ik vertrappelde, heeft me niet gedood. Ook de spiegel die vanmiddag in duizend stukken uit elkaar spatte, is zonder gevolgen opgekuist en verdwenen. Heel even was ik bang dat mijn niesbui tijdens het avondmaal een slachtoffer zou vergen, maar ook daar voorlopig geen gevaar.
Maar vergis u niet, vrijdag de dertiende zal zich wreken. Zonder dat u er erg in heeft, sleurt hij de dag buiten uw bereik. Verdwijnen ook deze uren als een dief in de nacht. Voor eeuwig verloren.


To meet or not to meet ...

‘Zien jullie mijn scherm?’
‘…’
‘Tony, je staat op mute.’
‘…’
‘Tony, je microfoon staat dicht.’
‘…’
‘Tony, ik hoor je niet!’
‘…’
‘Tony, dit werkt niet, kan je je microfoon openzetten? Ik hoor je niet.’
‘…’
‘TONY!’
‘Dus om te concluderen, om online meetings vlotter te laten verlopen, stel ik voor dat we een aantal richtlijnen uitvaardigen. Om te beginnen checkt iedereen zijn microfoon voor hij of zij spreekt en bevestigen ze als ze het gedeelde scherm zien. Kunnen we dat afspreken?’
‘Oh Tony!’


Vergeten

‘Ik wil dat u mijn volledige geschiedenis en online identiteit wist. Alles wat ik ooit op Facebook gezet heb, moet verdwijnen. Kan u daarvoor zorgen?’
‘Dat kan.’
‘Hoe.’
‘Hier is formulier 465bis. Als u dat invult, doen we het nodige.’
‘En zorgt u dan ook dat vergeten wordt dat ik dit formulier invulde?’
‘Euh, als dat moet.’
‘Dan ben ik volledig weg?’
‘Ja.’
‘Oké, maar misschien toch nog een vraagje.’
‘Ja?’
‘Als dat gebeurd is, dan kan ik hopelijk toch wel nog zien hoeveel likes ik gekregen heb?’


Klets

‘Wat ben jij een kletsmajoor!’
‘Wie? ik?’
‘Ja jij, meneertje praatgraag! Een echt viswijf. Je stopt gewoon niet met ratelen! Dat is echt niet leuk voor de leerlingen in deze klas.’
‘Maar …’
‘Wat maar? Wat voor uitleg heb je? Welk excuus ga je bovenhalen?’
‘Ik …’
‘Zie je wel, je hebt geen reden. Al dat praten, dat is nergens goed voor. Concentratie en stilte zijn er nodig. Hoe wil je nu dat de leerlingen iets leren! Ze moeten absorberen en verteren. Niet jouw eindeloze stroom lege woorden incasseren.’
‘Maar …’
‘Maar wat?’
‘Ik ben toch de leraar?’


Klets

Klets boem patat
Verdwaasd val ik op de grond, lig op mijn gat
De wereld heeft me omver geblazen
Links en rechts zien halflege glazen
Corona heeft me uit balans gebracht
Weg met de vakantie, zo naar getracht
Besmettingen slaan me om mijn oren
Angst en paranoia heersen als nooit tevoren
Extremisme, polarisering, uitbuiting en nijd
Ik verlang naar de toekomst, een nieuwe tijd
Ik hoop dat wij het kunnen, samen leven
Ik verlang dat we klaar zijn om alles te geven
Klets boem patat
Ik ben hier weg, ik heb het gehad


Durf

Twijfelende schaduwen wandelen op kousenvoeten over mijn gelaat. Schoorvoetend nader ik haar.
‘Hallo.’ Mijn stem kraakt als een oude plaat.
‘Hallo.’ Een frisse, opgewekte verschijning groet mij. Mijn adem stokt. ‘Hoe is het met jou?’ Vrolijke, blauwe ogen kijken me zonder oordeel aan.
‘Euh … goed.’
Stilte. Mijn tong bevriest. Ik verdrink in haar ogen. Haar hoofd valt schuin. ‘Wilde je mij iets vragen?’
Ja. Ik vraag niets. Mijn hoofd wordt rood. Ik lach schuchter en loop weg. Ik vervloek mezelf. Waarom durf ik niet?
‘Wacht,’ roept ze. ‘Ik loop mee.’
Ik wacht en lach.


Dubbel

…tje op zijn kant
…op
… dobbel
…leven
Wat als we alles dubbel konden doen? Twee keer leven, twee keer genieten, twee keer dronken worden met vrienden. Twee keer een nachtje blijven hangen aan de toog, vol wijsheden en waarheden.
Wat als het leven geen dubbeltje op zijn kant was, maar we dubbel konden leven? Parallel, naast elkaar. Twee keer.
Wat als het leven geen lotterij was, zoals dubbel dobbel?
Wat als het allemaal dubbelop was en we twee keer zouden … sterven?
Laten we het bij één keer houden. Eén keer leven, maar dubbel genieten.


De andere kant van de winter UKV van de week - Schrijven Online - 06/11/2020

‘Ik hoop dat ik de winter overleef.’
Met vertraging bereiken haar woorden mijn geest. ‘Wat zeg je, mama?’
‘Ik hoop dat ik de winter overleef. Mijn tijd wordt kort. Die van de jeugd is lang. Zij klagen dat ze eenzaam zijn, dat afstand houden zwaar is. Ik ben doodsbang daarvoor.’
Mijn hoofd tolt. ‘Natuurlijk overleef je de winter, mama. Jij bent sterk!’
Haar verrimpelde handen vouwen samen. ‘Dat zeg je altijd, nu weet ik het niet.’
De onmacht in haar stem verpulvert mijn hart.
‘We gaan daar allemaal samen voor zorgen, mama.’
De twijfel in haar ogen is onverteerbaar.


Dubbel ...

…tje op zijn kant
…op
… dobbel
…leven
Wat als we alles dubbel konden doen? Twee keer leven, twee keer genieten, twee keer dronken worden met vrienden. Twee keer een nachtje blijven hangen aan de toog, vol wijsheden en waarheden.
Wat als het leven geen dubbeltje op zijn kant was, maar we dubbel konden leven? Parallel, naast elkaar. Twee keer.
Wat als het leven geen lotterij was, zoals dubbel dobbel?
Wat als het allemaal dubbelop was en we twee keer zouden … sterven?
Laten we het bij één keer houden. Eén keer leven, maar dubbel genieten.


Kachel

De ronkende kachel spreidt haar warmte met dikke vingers door de kamer.
‘Haal jij nog wat hout, Jan? Voor het vuur dooft.’
‘Wat zeg je?
‘Hout. Voor de kachel.’
‘Ah ja, oké.’
De warmte verdooft de stilte, de avond schrijdt verder.
‘Is de krant interessant?’
‘Huh?’
‘Laat maar, haal jij hout? Als ik kon, deed ik het.’
‘Wat? Waarom?’
‘Omdat het anders koud wordt.’
‘Juist ja, dadelijk.’
Het ronken verstomt, de warmte stroomt weg.
‘Zeg Pieter, wat is er met die kachel?’
‘Wat zou er met die kachel zijn?’
‘Ze brandt niet meer. Is het hout op?’


Tot in den draai

'Waar gaan we naartoe?’
'Naar het einde van de regenboog.’
'Hou me niet voor de gek, dat kan niet.’
'Waarom niet? Gewoon de kleuren volgen tot ze stoppen.’
'Die stoppen niet. Dat lijkt maar zo.’
'Dat geeft niet. Dan blijven we reizen.’
'Naar waar? We moeten toch een doel hebben?’
‘Waarom? Is de reis niet genoeg?’
'Dan komen we nooit aan. Wat moeten we dan?’
'Da’s toch perfect. We blijven reizen.’
'Tot wanneer?’
'Tot we het moe worden.’
'En dan?’
'Dan gaan we nog wat verder.’
'Naar waar?’
‘Voorbij de bocht achter het einde.’


Fonetisch

‘Nee, dat is niet oké.’
‘Maar waarom niet? We doen toch niets verkeerd?’
‘Toch wel. Het is niet juist. Stelen mag niet, dat weet je.’
‘Maar het is van de rijken, dat is toch anders?’
‘Nee, dat is het niet. Stelen is stelen, eender wie het slachtoffer is.’
‘En toch doe ik het.’
‘Dat doe je niet. Je stopt nu. Echt waar. Of wil je dat ik de politie bel?’
‘Dat zou je toch niet doen?’
‘Toch wel, want hoe je het ook draait of keert, stelen is altijd effenaf onetisch.’


Ik wil

'Kijk zo niet.’
'Je weet wat ik wil.’
'Ja, maar niet nu.’
'Waarom niet?’
‘Ik heb geen zin.’
‘Maar ik wel. Ik wil echt.’
'Jij wil altijd. Ik heb geen zin en geen tijd.’
'En toch wil ik.’
'Stop dat gegrom.’
'Ik wil nu!’
‘Niet janken alsjeblieft!’
‘Nu!’
‘Kijk zo niet naar mij en haal je kop van mijn been.’
'Ik wil nu of ik pis in huis.’
‘Het is al goed. We gaan als de afwas gedaan is.’
'Eindelijk.’
'En stop dat gekwispel. Ja, je hebt weer gewonnen, maar wrijf het er zo niet in.’


Gescheiden

‘Ga niet weg, ik heb je nodig.’
‘Niet meer, het is voorbij.’
‘We waren toch goed samen, zo close.’
‘Ik moet mijn eigen weg gaan. Het spijt me.’
‘En ik? Waar moet ik naartoe?’
‘Jij kan opnieuw beginnen.’
‘En jij?’
Ik krimp in elkaar. ‘Ik weet het niet.’ Het wordt heet. ‘Ik denk het niet.’
‘Blijf dan bij mij.’
‘Dat gaat niet. Het ga je goed.’
‘Ik zal je missen,’ dringt in mijn plastic oren net voor het vuur van de verbrandingsoven mij verteert en mijn kartonnen omhulsel in een grote baal geperst wordt voor een nieuwe start.


Overal - UKV van de week - Schrijven Online - 23/10/2020

‘Mama, waar gaan die wolken naartoe?’
‘Die gaan op reis, lieverd.’
‘Naar waar?’
‘Naar overal.’
‘Waar is dat, overal?’
‘Dat is elke leuke plek die je kan bedenken. Elke mooie plek, waar lieve en vriendelijke mensen zijn. In de bergen, in de bossen, aan het strand, in de stad. Kies maar.’
‘Ben jij al overal geweest, mama?’
‘Een paar keer, nog lang niet genoeg.’
‘Ik wil met de wolken mee, mama.’
‘Dat is een heel goed idee, lieverd. Naar waar wil je?’
‘Naar overal. Ga je mee?’


Beyoncevlieg

‘Zie ze bezig!’ roept Danaus Affinis. ‘Niet te doen!’
‘Wat scheelt er, moerastijger?’ vraagt Amenia Chrysmae. ‘Ik dacht dat ze zo’n toffe was? Ze is toch gewoon een arthropoda, zoals wij?’
‘Och, groene blaasvlieg, breek me de bek niet open!’ roept de gouden Rhiniin vlieg. ‘Sinds ze een naam gekregen heeft, denkt ze dat ze de wereld rulet, is ze crazy in love met zichzelf en hangt er een halo rond haar. Maar heb je haar al eens goed bekeken? Alleen haar kont blinkt en ik ben helemaal van goud! Wie denkt ze wel dat ze is? Queen B?’


Tot morgen!

Vuurrode vingers strelen aarzelend de horizon. ‘Mag ik?’ vragen ze verlegen.
‘Natuurlijk mag je,’ fluistert de einder. ‘Hier ben je elke dag welkom.’
‘Dank je,’ lacht de krimpende vuurbol en zakt verder weg.
‘Geen dank,’ kweelt de immer rechte kim. ‘Jij hoort toch bij mij en ik bij jou.’
‘Da’s waar,’ lacht de reus. Haar vurige stralen dekken de avond toe.
‘Slaap zacht,’ kolderen de meeuwen in koor.
De laatste goudgerande wolken wuiven naar haar toeschouwers. ‘Tot morgen.’
‘Tot morgen!’ briesen de baren nadat ze de zon verorberd hebben. ‘Tot morgen, voor een nieuwe dag.’


Oxymoron

Diepe stilte schreeuwt om mijn aandacht.
Traag haast ik me naar de overkant, waar zij, voorbij het einde, op mij wacht.
Waar de gloeiende vrieskou door het oog van de orkaan raast en de open vlakte mijn pad blokkeert.
Ik ga kopje onder in het oppervlakkige water, volg haar spoor in een wirwar van rechte lijnen, zie haar weerspiegeling in het oplichtende zwart.
Mijn hart breekt van vreugde, mijn ogen verkruimelen door mijn tranen.
Ik weet dat het einde pas begint in mijn afgelopen zoektocht naar liefde,
in het eeuwig vergeten worden in de nooit afhoudende bewegingloze wind.


Afscheid van het weekend

Het weekend heeft ons weer verlaten. Zondag vouwt zijn boeken toe, herinneringen aan de vrijdaagse zucht zweven voorbij.
De verwachting naar twee dagen vol rust, shoppen, klussen, feest, vrienden zien - euh, die twee dingen even niet - en … niets doen, ebt weer weg.
Oppeppen voor een week vol aandacht voor de kinderen en het werk. Concentratie, meetings - kan je mijn scherm zien? Je bent muted, Jan - en denken aan welke dingen we nu weer moeten verbeteren.
Om snel weer uit te kijken naar een nieuw weekend vol … vol verwachting, weinig tijd en …


Loslaten

Bijna klaar. Nog een puntje verschuiven, een kommatje toevoegen. Nee, dit woord is niet juist, en die zin moet anders. Voilà.
Klaar?
Ja.
Zeker?
Nog één ding checken. Oké.
Echt zeker?
Ik denk het.
Laat het dan los.
Nog één keer nalezen.
Loslaten!
Oké, ik laat het los. Hier is mijn verhaal. Raakt het je? Vind je het goed? Word je er door ontroerd? Leg het alsjeblieft niet onaangeroerd naast je neer!
Nagelbijtend wachten op reactie. Was het eigenlijk wel klaar? Was het af? Hoe zat dat ook alweer met loslaten?
Verdorie, ben ik wel gemaakt om te schrijven?


Echt

Rode vlekken deinen uit op de bleke ondergrond. Opstijgende kreten begeleiden mij naar het vuur, waar vlammen hoog oplaaien en gretig aan mijn gezicht likken.
‘En?’
‘Nog niet, het is te vroeg.’
Ik draai me om, staar in de rode plas, zoek naar hulp. 
‘Daar!’ klinkt opgewonden achter mij. ‘Neem dat mes!’
Het stalen heft voelt goed in mijn hand. Vastberaden hef ik het hoog, het witte vlees valt zonder weerstand uit elkaar in de rode poel.
‘Bijna klaar.’
‘Echt?’
‘Ja, nog een paar minuutjes.’
‘Eindelijk!’
Het is tijd, het vuur is heet. De pizza funghi kan erin.


Echt?

'Ben je moe?’
'Waarom denk je dat?’
'Je geeuwt.’
'Dat is niet van vermoeidheid.’
'Dus ik verveel je.’
'Waarom zeg je dat?’
'Je geeuwt opnieuw.’
'Dat is niet van verveling.’
'Vind je mij dan saai?’
'Wees toch niet zo onzeker!’
'Weer een geeuw!’
'Dat is niet omdat ik je saai vind.’
'Maar waarom geeuw je dan?’
'Omdat je mijn hersenen verhit.’
'Echt?’
'Neen.’
'Komaan zeg, hou me niet voor de gek. Waarom geeuw je nu dan weer?’
'Je vermoeit mij met jouw vragen.’


Echt

‘Lieverd, laten we in de echt verbinden.’
‘Is dat een aanzoek?’
‘Ja, een echt.’
‘Waarom?’
‘Dat is echt leuk naar het schijnt.’
‘Wow, ik weet echt niet wat zeggen.’
‘Wat denk je van ja? Dat zou echt goed zijn.’
‘Kunnen we in de echt verbonden blijven? Ze zeggen dat dat echt moeilijk is.’
‘Wij kunnen dat. Echt.’
‘Ik weet het niet, echt niet.’
‘Och, als het niet lukt, kunnen we uit de echt gescheiden worden. Toch?’
‘Wil je dat dan? Ik echt niet.’
‘Ik ook niet. Maar weet je wat?’
‘Wat?’
‘We doen gewoon alsof het echt is.’


Terug naar boven